elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: praat

praat , praot , (vrouwelijk) , präotjes praat.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
praat , proot , (stam van: proten) = praten. Oostfriesch prôt. Zie: proat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
praat , proat , proot , praat. Zegswijs: van proat komt proat = een gerucht is gemakkelijk op de been gebracht en verbreid, en er ligt in: hou den mond, spreek niet verder, of: ook: vertel niet aan anderen wat ik u mededeel; proat is gijn jenever, ook: proat is gijn pankouk, zooveel als: praten is goedkoop; proat is niks, doun is ’n ding, Friesch: praten is neat, dwaen is in ding. da’s ’n proat as gijnent, of: proat as ’n pet = da’s ’n proat van niks, dat snijdt geen hout, dat is onzin; dat proat jà niks = dat lijkt er niet naar, dat is geen gegronde reden, daarover behoeft men eigenlijk niet te praten; ik wil d’r gijn proat van hebben = ik vertel het u als een geheim; hei d’r proat van heurd? = hebt gij er van hooren spreken? is nijt veul proat bie = hij (of: zij) zegt niet veel, men kan met zulke menschen moeilijk het geprek gaande houden. Zie ook: proten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
praat , proat* , proat is niks (bldz. 555) ook = men mag zeggen wat men wil; “praatjes vullen geen gaatjes” ook bij v. Dale; voor het Nederlandsch: “aan den praat houden” hier: in de proat hollen, vgl. an . Zie ook dingen *, ook de aanteekeningen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
praat , proot , Daor is proot van, daar wordt over gepraat.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
praat , proot , vrouwelijk , prööte , praat. kö-i de proot hoolden: kun je aan de praat blijven. Hei hef ’n goud pröötien uaaver zich: hij kan goed zijn woord doen. Einen vån ’n stoul prooten en der zölf op gaon zitten: iemand het stilzwijgen opleggen en zelf het woord ne
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
praat , proat , zelfstandig naamwoord, mannelijk , 1 gepraat zonder zin, 2 kwaadsprekerij
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
praat , praot , geklets Daor kumt praot af. Daar komt praat van.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
praat , praots , próts , m , praatjes. En nog próts ok nog! (gez. tegen brutale jongen) En nog praatjes. maken ook nog!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
praat , praat , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze praat op zolder, gezwam in de ruimte, onzin. – An de praat rake, in gesprek raken. – An de praat kroige, op gang krijgen. | Ik kreeg m’n auto gien meer an de praat. – In de praat komme, onderwerp van gesprek worden. | ’t Kwam oigelek zô maar in de praat. – Deer komt praat van, daar zal over gepraat, geroddeld worden. – Goed van praat weze, onderhoudend zijn, zinnige of fatsoenlijke gespreksstof hebben. – Gezonde praat, zinnige gespreksstof of redenering.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
praat , praot , zelfstandig naamwoord , praat. 1. Daor komt praot van. Daar zal over gekletst worden. 2. Veul praot hèbbe. ’n Grote mond hebben. 3. Praot aachter z’n kònt krèège. Daar komt achterklap van.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
praat , proat , proat vur de sloap: flowwe zeiver.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
praat , proat , geroddel; * doar kump proat van: daar komt geroddel van; proat mie d’r oaverhen: hou erover op, praat me er niet van.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
praat , proot , de , Var. als bij proten = 1. gepraat Der komp volk an, der is proot achter het hoes (Sle) 2. gerucht, praatjes As der proot van komp, huj je hier niet meer zeein laoten (Eex), As der mor gien praot van komp (Eel), Niks zeggen, ik wil niet dat er proot van komp (Ruw) 3. praat, het praten Zo’n klein wondtien, dat is jao gien proot weerd (Bov), Jan wil nog wat doen, mor dan moe ik die kerel an de proot holden (Eke), Ik kwam mit hum an de proot (Flu), Zie bint drok an de proot (Man), Het kwam in de proot te passe tijdens het gesprek aan de orde (Uff), Hij hef altied verleuren proot, het is het anhèuren niet weerd malle praatjes (Dwi), Hij hef seins van die holkorstige proot (Ruw)... holle proot geen nette taal (Sle), Hij hef zu’n malle proot an zuk malle praatjes (Exl), Hij hef proot as een bossien wortels onbenullige praatjes (Sle), Dat is praot as een pet geklets (Nor), Hie hef zoveule proots (Wap), As hij een borrel had har, kreeg hij veul praots (Pei), (fig.) Ik kan de auto niet an de proot holden aan de gang houden (Rui) 4. sprake Der is praot van dat e het hoes verkopen zal (Row) 5. bezoek Wij kriegt praot vanaovend (Wes), Ik heb de hele morgen praot ehad bezoek (Die) *De darde man brengt de praot an bij diens komst ontstaat een gesprek (Mep); Van proot komp proot (Sti); Zien prooties en vief cent is net een stuver niets waard (Hgv), z. ook bij prootien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
praat , praot , 1. praat; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: taal; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: praatjes
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
praat , praot , taal, gepraat. Wat ’n gekke praot heur iej daor toch.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
praat , praot , praat , Goeje praot kost niks, goeje raod is géld wérd. Goede praat kost niet, goed raad is geld waard. Van mooie praatjes wordt men niet wijzer, goede raad is nooit weg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
praat , praot , zelfstandig naamwoord , de, et 1. het praten 2. dat wat men zegt 3. iemand die komt om met de ander te praten, die op bezoek komt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
praat , praot , uitdrukking , ’t Is de praot nie waerd Het is de moeite niet waard om erover te praten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
praat , praos , zelfstandig naamwoord , praats De kindere hebbe nou veul meer praos as vroeger
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
praat , vremde proot , vreemde praat
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
praat , praot , (zelfstandig naamwoord) , prötien , praat, taal. IJ ef altied van die raere praot. Zie ook: prötien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
praat , praot , spraak , ik ben nn Bikse, dus ik praot Biks = ik ben een Prinsenbekenaar, dus ik spreek Biks- dn dieje hé veul praot = hij denkt dat hij alles weet. Zie 'Bikse praot'.
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
praat , praot , zelfstandig naamwoord , praat, geklets; - Mòkt mar dètter ginne praot van komt. zelfstandig naamwoord; praat, praatjes; Cees Robben – ...dan heet ie nie veul praot... (19581122) ; Cees Robben – Dek praot genog hâ... (19590912); Van Beek - Goeie praat kost niks; goeie raad is geld waard. - Met mooipraterij schiet men niets op.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); DANB hij heej veul pròts ómdèttie stèèrk is; Mandos - de praot is nie vur jou allêen - laat een ander ook eens aan het woord Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tisser in de praot ('47) - er wordt over gesproken; Frans Verbunt – der is veul praot oover, mar et wordt stilgehaawe; Henk van Rijen –  daor mótte ginne praot van maoke - daar moet je niet over spreken. Hoe et te praot kwaam weet ik niemir mar we han et er ineens over. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); WBD III.1,4:118 'kwade praat' = laster; WBD III.3.1:255 'praat', 'praatje' = praatje; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord o. 'proot' - praat: 'vuil proo't hebbe' - veel praat hebben, over een al te rijk flux de bouche beschikken. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PRAAT zelfstandig naamwoord m. - Praat hebben veur zeven man - geweldig veel praat hebben; Jan Naaijkens - Dè's Biks – praot zn - praat; een praatgraag persoon (meestal een vrouw); Cees Robben – Ons Filleke des toch zon praot war.. (19720714); gebiedende wijs van ‘praote’; Cees Robben – Slibberen..? Och praot er nie van... (19580315)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
praat , praot , praotde – gepraot , praat
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal