elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reekam

reekam , [grote kam] , reidekamme , kam, Reyen, kammen. Uutreyen, uitkammen. Bij uitlating Holl. kam alleen. Kam is van Theot. kamben, dekken, kronen, en dus eig. crista. reen, kammen. [reden, streken trekken] oetrêen, uitkammen. Retelik, effen, glad gekamd, in eene rigting, b. v. vlas, hair, enz.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
reekam , [grote kam] , reekamme , (vrouwelijk) , groote kam.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
reekam , [grote kam] , reidekamme , (vrouwelijk) , groote kam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
reekam , reidekamme , (mannelijk) , Haarkam. Haal mîn de reidekamme, dan zak u ʼt haor is ü̂̂treiden, î lîkt wel ʼn bosdü̂̂vel. Reiden is gereed maken, in orde brengen. Gron. Redkam – haarkam.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
reekam , redkam* , vergel. rekenkam *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
reekam , reikaomĕ , haarkam.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
reekam , [haarkam] , reidekamme , (mannelijk) , Haarkam. Haal mîn de reidekamme, dan zak u ʼt haor is ü̂treiden, î lîkt wel ʼn bosdü̂vel. Reiden is gereed maken, in orde brengen. Gron.: Redkam – haarkam.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
reekam , reikaom , mannelijk , reikemme , haarkam
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
reekam , reekoam , zelfstandig naamwoord, mannelijk , fijne haarkam
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
reekam , reikamme , haarkam of stofkam.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
reekam , reikamme , luizenkam.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
reekam , riekaom , riedkaom, reidekaom, redekaom, reikaom, reekaom, r , de , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook riedkaom, (Zuidwest-Drenthe, noord), reidekaom (Zuidwest-Drenthe, zuid), redekaom (Zuidwest-Drenthe, zuid), reikaom (Zuidwest-Drenthe, zuid), reekaom (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), renekaom (Zuidwest-Drenthe, zuid), rienekaom (Zuidwest-Drenthe, zuid) = haarkam Een luzekaome was fiener as een reeikaome (Dwi), Een riekaome is half grof, half fien (Hgv), ...een gewone kam (Erf), ...an de iene kaante grof en de aandere kaante fien (Vle), Mit het rienekaompie hol ie de kop schone ‘reinigingskam’ (Pes), De eerste mörgen nao ons trouwen musse wij een renekaome lenen bij de buren (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
reekam , reikamme , reikaome , (Kampereiland, Kamperveen) 1. haarkam voor een paard.; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: haarkam. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: reikaome
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
reekam , reikamme , haarkam. Ik zal oe ’t haor es uutreijen, iej ziet er uut as ’n bosduvel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
reekam , rêêkam , zelfstandig naamwoord , rêêkamme , rêêkammechie , roskam
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
reekam , reikam , reikamme , haarkam.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal