elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rei

rei , rei , spilziek, verkwistend, tegenovergestelde van zuinig. Ook in gunstige beteekenis = vrijgevig, mild, royaal, en = ongerept, ongewasschen. Gron. rei = niet zuinig, iets zwakker dan verkwistend. Maastr. rijf = mild; riefe, rieve = niet zuinig; Oostfr. rife = mild, verkwistend, rijkelijk; Nederd. rive, riiw, rîwe, Neders. rive = rijkelijk, overvloedig, en: goedgeefs, verkwistend; Holst. rieve = vrijgevig, mild, niet spaarzaam. MNederd. rive, MNederl. rijf = mild, overvloedig, AS. rîf, OEng. rîf, rîfe, rîve = veel, rijkelijk; Eng. rife: menigvuldig, rijkelijk, overvloedig, vervuld van, enz.; ONoorsch IJsl. rifa, Noorw. riv = veel, rijkelijk.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rei , rei , (bijvoeglijk naamwoord) , goedgeefsch, spilziek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rei , rei , raai , (raai , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Een rechte lat van enige cm breed, die gebruikt wordt om te meten en daartoe in voeten en duimen is afgedeeld. In pelmolens heeft men een zes-voets-raai, een raai van 6 Alkmaarse voeten (1 Alkm. voet is omtrent 28 cm en wordt onderverdeeld in 12 duimen), dienende tot het meten der molenstenen. 2) Bij de zeildoekweverij. Het uitgespannen deel van de schering dat tegelijk wordt gesterkt. Voor het sterken wordt het weefgetouw verlengd met een paar evenwijdige latten op een poot (de uitleggers), waarover de schering, die daartoe van de garenboom wordt afgewonden, wordt uitgestrekt. Dit uitgelegde deel van de schering heet een raai. Al naar gelang van de lengte der schering, is het aantal raaien dus groter of kleiner. Ook sterkt de ene wever bij langere einden tegelijk dan de ander. Gewoonlijk wordt de schering van zeildoek, die pl.m. 43 m lang is, in 8 of 9 raaien gesterkt. Bij fijner zeildoek kan het aantal echter tot 13 of 14 klimmen. Om de gesterkte raai sneller te drogen, wordt er wel vuur of brandend riet bij gehouden. || Item dat ... sig niemant sal vervorderen des avonts naar sonnen ondergangh te lugteren van de weevers om eenig garen, reyen of anders mede te drogen, Hs. keur (a° 1699), archief v. Krommenie. In de zin van maatlat, liniaal om de juiste richting van muren of balken te bepalen, en om te zien of het geschaafde hout recht of scheluw is, enz. is rei of reitje bij timmerlieden en metselaars algemeen in gebruik, ook in Z.-Nederl. (SCHUERMANS) en Oost-Friesl. (KOOLMAN op , rêi). Vla. reie betekent dwarslat, sluitboom (DE BO).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rei , [verkwistend] , rei , verkwistend. En reiĕ baos.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rei , ràj , zelfstandig naamwoord , ràjn , ràjken , jongejufferskrans; ràj vuur kool snien, samenkomst van jonge vrouwen om kool voor de inmaak te snijden waarbij koffie gedronken werd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rei , rij , mild gevend, verkwistend
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rei , rei , ree, raai , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook ree (zwn), raai (Kop van Drenthe) = royaal, kwistig, ruim Hie hef een rei haand van geven hij geeft royaal (Eex), Niet zo rei! IJ moet dielen daj ok dieler blieft dat je overhoudt en zodoende kunt blijven delen (Sle), Hij zit rei in het geld (Bro), Hie zeit mit reie haand (Eli), Botter dat wiek is, is rei in het smeren daar smeer je gauw te veel van (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rei , rei , reei, reie, reeie, raai, rai , de , reien , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook reei (Zuidoost-Drents zandgebied), reie (Zuid-Drenthe), reeie (Zuidwest-Drenthe, noord in bet. 1.), raai, rai (Kop van Drenthe) = 1. (meet)lat Een stucadoor bruukt een raai om te zein of alles vlak is (Row), Mèten mit de reie (Nsch), Hol de rei er mor even bij langs (Zwe), z. ook reilat 2. balk, vooral die, waaraan de stalpalen zijn vastgemaakt (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Der is een kram oet de reei, ...rei (Sle), Dat mes heb ik bruukt, mor ik heb hum op de rei legd (Anl), Bözzel en roskam ligt op raai (Eev), Leg de sleutel mar op de rei in het stookhok balk boven een muur (Oos), Een rei boven het raom balk (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rei , ri’je , reie, rei , zelfstandig naamwoord , de 1. rei, lat om mee op te meten, om mee glad te strijken (van verschillende lengte; soms een gewoon stuk hout) 2. balk waaraan de stalpalen zitten (aan de bovenkant)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rei , rei , uut de rei hebben, kwaad op elkaar zijn (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal