elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rennen

rennen , runnen* , Nederlandsch rennen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rennen , rönnen , rennen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rennen , rennen , runnen, rönnen , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook runnen (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), rönnen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. rennen Ze mussen der tegen rennen, ...runnen om op tied te kommen (Anl) 2. lopen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het runde tegen paosen en dan hef ze de schonemaak graag achter de rogge (Hol), Oenze olde startklokke is wel 250 jaor old, mar hij runt nog best (Hav), Het runt verkeerd (vs), De kan runt op den tap is bijna leeg (dva) 3. stromen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Het zwiet runde hum aover de rögge (Hgv) 4. lopen, van wegen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het karkepad rönde dwars deur de laanden (Ruw), Die weg runt deur tot an Möppelt (Nije), Die weg runt dood (Rui) 5. rijden (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat schaatsen runnen eerder was een feest veur iederiene (Noo) 6. aankunnen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Keuj het nog wel runnen? kun je het aan (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal