elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reren

reren , reeren , Gr. schreijen, huilen. A. S. raran, huien, brullen. Eng. to roar.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
reren , rèren , zegt men van ’t bulken of loeien der kalveren en koeien; en voorts overdrachtig van menschen die wat hard schreeuwen en doorslaan, Engelsch to roar, schreeuwen, brullen, bulken; Kiliaan, reeren, loeien, razen, schreeuwen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
reren , rèren , (zwak werkwoord) , schreeuwen; ook van dierengeluiden gebruikt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
reren , reeren , schreien, ook voor: weenen; zij kon ’t reeren nijt loaten = zij kon hare tranen niet bedwingen; ’t pōtje reert = de kleine schreit; ’t reeren stait hōm (of: heur) noader as ’t lachen = hij zou wel kunnen schreien, van pijn, van spijt, enz.; snöt en kwiel reeren = erbarmelijk schreien, huilen, van kinderen; zij het zōk (of: heur) van harten zat reerd = zij heeft hare tranen vrij laten vloeien om haar gemoed te verlichten. Ook = hard roepen, schreeuwen; “Wat reer je? Zol ’k nijt reeren man? Hier ’s weer begun noch ende an, Dat ligt hier ijwig an de buning” (Schuitpraatjes, 1827); roupen en reeren, tautologisch voor: luid roepen, hard schreeuwen. Drentsch reeren = geweldig schreeuwen. – En = loeien, van runderen, vooral wanneer zij in benauwdheid zijn, bv. bij een brand; dat reeren van dei bijsten gait joe deur hart en nieren; “As ’s mörgens zij het vei heurt reeren, Den is zij ook al oet de veeren.” Geldersch reren = bulken of loeien van kalvers en koeien, en voorts fig. van menschen die wat hard schreeuwen en doorslaan. Kil. reeren = loeien, razen, schreeuwen; Middel-Nederlandsch reeren = brullen, loeien, Oostfriesch reren, rären = roepen, schreeuwen, brullen, luid schreien; Westfaalsch raeren = bulken, schreien van kinderen; Mecklenburgsch, Ditmarssum rohren = schreien; Nederduitsch rooren = het kwaken der kikvorschen; Hoogduitsch röhren = luid schreien, inzonderheid het geluid der herten; Engelsch to roar, Angel-Saksisch rârjan. Zie verder ten Doornk. art. reren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
reren , reerĕn , 1). huilen; 2). loeien (van een koe).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
reren , reren , 1. schreien. 2. onsamenhangend schreeuwen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
reren , reren , reren, ereerd , schreeuwen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
reren , rèren , reren , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Ook reren (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. huilen Lachen is beter as reren, mor paartie reert van het lachen (Eex), Kleine kinder kunt um het minste of geringste begunnen te rèren (Hijk), Hij is dik um de kop van het reren (Ros), Hij reerde van bliedschup (And), Hie reert snöt en kwiel (Anl), Hij reert as een klein kind (Schn) 2. geweldig schreeuwen (dva) Hij reert als een hofhond schreeuwt en tiert als een bulhond 3. gieren (Zuidwest-Drenthe) Het rèerde mij deur de hals van zout eten (Ruw) 4. bepaalde huilende of schreeuwende geluiden maken (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) De wagen, ...de ploeg, ...het kaorrad rèert piept (Sle), Het rad rèert um eulie schreeuwt (Oos), Moej dat linker rad is heuren reren. Het is net of het rop: Boer is zuuuunig (Eex), ...zunige boer, zunige boer (Nor), Aj an het ploegen waren in roeg laand, dan reerde het rister der deur geluid van kluiten tegen het rister (Scho), Even de zwao reren laoten strijken met de lat (Zui) 5. jammerend geluid maken van dieren (Zuidwest-Drenthe. Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) De koenen staot bij het hek te rèren (Sle), Oze sikken heuft je mor te heuren of ze begunt al te rèren (Hijk), Moej de katten is heuren rèren; zint net kinder (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
reren , reren , 1. huilen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: schreeuwen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
reren , reren , raeren , werkwoord , 1. hard huilen 2. hard schreeuwen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal