elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijn

rijn , rijn , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In pellerijen, meelmolens en grutterijen. Molenijzer; een uit een ring met vier punten (bekken) bestaand ijzeren kruis, dat omtrent 4 dm lang en breed en ½ dm hoog is. De rijn sluit in een daartoe in de steen uitgehouwen gat en wordt door het kleeuwijzer vastgeklemd en zodoende door het spil in de rondte gedraaid. Zie Groot Volk. Moolenb. II, pl. 9. Het woord is ook elders in Holl. bekend, alsmede in het Oost-Fri. en Mnd.; zie de wdbb. op rîn.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rijn , rien , ond. molen, 37.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
Rijn , Rijn , zelfstandig naamwoord , 1. de Kromme Rijn 2. de Langbroeker Wetering (KRS: Lang); deze mondt bij Odijk in de Kromme Rijn uit. Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
rijn , rijn , molenijzer, dat de bovenste molensteen doet draaien. Het embleem van de mulder.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rijn , rèìjn , molenijzerembleem
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
Rijn , Rie~n , Rijn
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal