elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rikrak

rikrak , rikrak , (zelfstandig naamwoord; alliteratie); een houten voorwerp dat kraakt, wanneer men het gebruikt, bv. een stoel; Oostfriesch ʼn olden rikrak; Middel-Nederduitsch wrickwrack.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rikrak , [takel] , rikrak , toestel om een boom op een wagen te takelen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rikrak , rikrak , rikkerak , de , rikrakken , Ook rikkerak (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. mes met een scharnier voor het koekslaan (Zuidoost-Drents zandgebied) Door slugen ze met de rikkerak op het holtblok, dat de koek in het zand rolde (de:Sle) 2. oud voorwerp, mens of dier Een aold rikrak van een pèerd (Sle), Hij wordt ook al een old rikrak van een persoon (Dwi) 3. boomlier (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) 4. spelsituatie bij het spel negenstikken of malmeulen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Een rikrak is een dubbele meul (Oos), Mit een rikrak kuj twei kaanten uut (Hgv), (fig.) Hij haar wel een mooie rikrak van een jongen met vaste verkering, die nog een tweede meisje had (Dwi) of: als de een niet thuis was ging hij naar een ander (Ruw), Hij hef de prooties met een rikrak hij kan er alle kanten mee op (Rui) 5. lichaam (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Ik heb het helder met de rikkerak te stellen heb veel pijn (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal