elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roesterig

roesterig , [guur] , roesterg , buiig, guur, van het weder; ook Gron. (Veenkol.): rousterg weer = windig en regenachtig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roesterig , [met roest bedekt, vlekkerig] , rûsterig , (bijvoeglijk naamwoord) , vlekkerig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roesterig , roustêrg , (roesterig) = roestig, met roest bedekt. Wordt ook van bladeren, waarop zich de roest, eene woekerplant (meeldauw, Hoogduitsch Rost) heeft ontwikkeld, gezegd, alsmede van aardappelen die geene gladde maar op sommige plaatsen eene dikke roestkleurige schil hebben. “Het grootste gedeelte echter, vooral op de zwaardere zandgronden is, zooals wij dat noemen, erg roestig en als zoodanig alleen geschikt voor de fabrieken.” (1876) – roustêrg in de hals wezen = schor in de keel zijn, Oostfriesch rüsterg in de hals wesen; he prôtd so rüsterg, zooveel als: heesch, eigenlijk = roestig, Nederduitsch rusterig, Middel-Nederduitsch rusterich. West-Vlaamsch roestig = rauwsch, heeschachtig, belemmerd in de keel ten gevolge van eene verkoudheid of van iets anders. (De Bo). – In de Veenkoloniën: rousterg weer, (Drentsch roesterg) = buiig, guur weder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roesterig , rusterig , (bijvoeglijk naamwoord) , Huiverig van gevatte kou. Ik bin rusterig; ik wil van aovend maor is vrog nao bedde. Vgl. rózig.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
roesterig , roesterig , (bijvoeglijk naamwoord) , Roestig, geroest. || Wat is dat strijkijzer roesterig. Een roesterige naald.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
roesterig , roestĕrĕch in ’t haor , is een koe die na een ziekte eenigszins van kleur verandert.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
roesterig , [huiverig] , rusterig , (bijvoeglijk naamwoord) , Huiverig van gevatte kou. Ik bin rusterig; ik wil van aovend maor is vrog nao bedde. Verg. rózig.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
roesterig , roestereg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , roestig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roesterig , roesterig , bijvoeglijk naamwoord , 1. Roestig. 2. Druilerig, regenachtig (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roesterig , roesterig , roestig, bruin gevlekt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
roesterig , rosterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Midden-Drenthe) = roestig van aardappelen IJ kregen der rosterige, ...rostige eerpels van, van een èerbult (Eex), z. ook roestig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roesterig , roesterig , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. ruw (van het weer); 2. slecht gehumeurd
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roesterig , roestereg , roestig; roesterege eerpels, aardappels met vuile vlekken.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roesterig , roesterig , bijvoeglijk naamwoord , 1. roestig: roestend, met roest (van staal, ijzer) 2. aangetast door de plantenziekte roest 3. roestkleurig, roodachtig: van haar, ook van een gezicht met zomersproeten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal