elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: romp

romp , rompje , (onzijdig) , rompjes , borstrok, en vrouwenkleedingstuk, met en zonder mouwen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
romp , rōmp , voor: het lichaam, en bij overdracht, voor: gemoedstoestand, in: mit de malle rōmp wezen = in eene slecht luim, verdrietig, boos zijn; iemand mit de malle romp moaken = hem uit zijn humeur brengen, boos maken. Vgl. malkopt. Ook deel van een koffiemolen = het koperen bekken waarin de koffie wordt gestort.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
romp , romp , roomp , (ròmp) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meestal in verkl. rompie. Daarnaast in de Wormer roomp, roompie. Een wollen onderkledingstuk voor vrouwen en kinderen; een kort jakje zonder mouwen, dat slechts tot aan de heupen reikt en dus het bovenlijf bedekt. Synon. boefje, schietertje. – Evenzo ook elders in N.-Holl. (BOUMAN 90; Taal- en Letterb. 6, 41). Bij KIL. vindt men “rompe, thorax & indusium sine collari”; bij VAN DALE: “romp, lijf (van een kledingstuk)”. – Vgl. Ned. lijfje, polsje en andere dergelijke benamingen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
romp , romp* , vergel. malkopt *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
romp , romp , ond. molen, 37.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
romp , roomp , romp
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
romp , rompke , (ouderwets), onderlijfje (kledingstuk)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
romp , rompie , zelfstandig naamwoord ’t , Ouderwets wollen onderkledingstuk voor vrouwen en kinderen, kort jakje zonder mouwen dat alleen het bovenlijf bedekte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
romp , romp , rompe , de , rompen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook rompe (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Schn) = 1. romp De kop stun scheif op de romp (Eel), Van een kouwe of een peerd dei der goud oetzagen en zwoor bouwd waren, weurd wal zegd dat er een goude romp an zat (Bco), Een lood koffie in het rompie van de koffiemeul doen, en dan malen (Odo), Het hoes is nog lang niet klaor, allèn de romp stait er nog mor (Eev), De romp van een vliegtuug of van een schip (Bro) 2. buik (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) Wat hef die kerel een dikke romp (Klv), Die koe vret zuch de romp goed vol (Exl) 3. lichaam (Zuidoost-Drents zandgebied) De hiele romp döt mij zèer (Sle) 4. stevig dier (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat een romp van een koe (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
romp , rompien , het , rompies , 1. kledingstuk van vrouwen, onderlijfje Een rompie wör draogen boven een onderrok (Row), Een rompie is een jakkie van stof met körte mouwen (Bei), Het is mij veul te hiet, ik wol dat ik het rompien der niet under daon har (Sle) 2. genaaid bovenstuk van dikke stof (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) Een bukse mit rumkes (Bco), Kinder hadden vrouger wel een broekie mit een rompie (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
romp , romp , romp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
romp , rompe , romp , zelfstandig naamwoord , de; romp: lichaam zonder armen, benen, hoofd; ook in vergelijkbare zin van een gebouw, een schip enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal