elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rutselen

rutselen , rutselen , (werkwoord) , hutselen, heen en weêr schudden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rutselen , russĕlĕn , opgooien, 19.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rutselen , russeln , zwak werkwoord, overgankelijk , (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe) = husselen We russelt het zaekien mor wat deur menaere (Wap), Hij russelde der raar in umme (Zdw), z. ook husseln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rutselen , russelen , rosselen , werkwoord , 1. dooreenschudden, door elkaar gooien, dooreenschudden van aardappelen om zand en andere ongerechtigheden eraf te doen gaan, veelal in een grofmazige zak 2. ongedurig heen en weer bewegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rutselen , russele , poken in een kachel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rutselen , rutsele , werkwoord , door elkaar schudden (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rutselen , rutsele , rössele, russele , zwak werkwoord , rutsele - rutselde - gerutseld; rössele - rösselde - gerösseld , "1. schudden in het algemeen; - Ik liep dur 'n dreef van klinkklaor goud, dè rammelde en rutselde alsof ieder blaoike wè vertellen wilde... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); WBD (III.3.2:208) rutsele, hutsele, schudde = hutselen; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'rutselen' - door elkaar schudden, hutselen... WNT RUTSELEN 2) flink schudden, door elkaar schudden, hutselen; 2. schudden van het sjèpflèske; et sjèpflèske rutsele - het flesje dropwater schudden; Van Delft - ""Rutselen"", dit is schudden. Een jongen ""rutselt sjepwater"". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929); Cees Robben – Ik heb ’t op munne borstrok, moeder... Hedde nie wè sjep om te rutselen... (19641113); - En as ge vur unne cent sjepdròp kòcht, dan konde die in ’n flèske meej waoter onder oe bèd bewaore en flink rutsele. Dan konde fèèn sjèpke trèkke. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUTSELEN - eenige vloeistof sterk schudden, hutselen. Ge moet dieën drank goed rutselen. zie sjèp; rössele; de kachel oppoken door het rooster te schudden; WNT RUISCHEN -(I) C) Afzonderlijke vermelding verdient 'ruischen' als bedr. ww. in de verouderde beteekenis: verbrijzelen (met lawaai of geweld) stuk breken, stuk slaan.; russele - Frans Verbunt - schudden (van speelkaarten). WNT - 2. Flink schudden, door elkaar schudden, hutselen. Ge moet dieën drank goed rutselen, eerda' ge 'm inneemt, CORN.-VERVL. Rutselt is met da' fleschken, maar niet te hard, of ge zult den drank er uit rutselen, Ald. De nummers voor de loterij goed ondereen te rutselen! Loquela (Wdb.) [1907]."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal