elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: samen

samen , zames , te zamen, gezamenlijk; um zames voort te leiden om met elkander de boerderij te besturen en het land te bewerken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
samen , sam , (bijwoord) , zamen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
samen , samt , zamen , (bijwoord) , zamen, samen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
samen , sams , alleen in: sams zien kroam, en sams zien heerêlkhaid = de gansche boel, alles wat er toe behoort, en gewoonlijk in minachtenden zin. Ommel. Landr. II, 77: Ende de Hooflingen sams oock alle bequame qualificeerde Eygenarfden, enz.; VII, 17: uyt haer samtlijcken oft sonderlijcke goederen, enz. Dr. Landr. (1608) III. 8: sampt in- ende uithschulden. Kil. samt (Gor. Sax. Fris. Sicamb.) = saementlick = gezamenlijk; Hooft: samt = met, benevens; (Weil, zamt, verouderd bijwoord, zijnde eene verkorting van gezamt, Hoogduitsch (ge)sammt. Voor: met, in: zamt zijne heerlijkheid.) Holsteinsch sammit = mede, benevens. Oud-Hoogduitsch samant, samt, Middel-Hoogduitsch sament, samet, samt. Zie ook: zammêln, en vgl. samen, gezamenlijk, enz. Engelsch same, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
samen , soam , als achtervoegsel, eigenlijk voor: samen, te zamen, altegader, in: dagsoam, nachtsoam, oavêndsoam, goundagsoam, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
samen , saamĕn , Met saamĕs, roept iemand als hij ziet, dat zijn metgezel iets vindt.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
samen , sam , samen. Dag sam: goedendag samen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
samen , saem , saemp , samen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
samen , samen , saomen, saemen, saams, saems, saemens, saam , bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook saomen (Noord-Drenthe), saemen (Zuidwest-Drenthe, noord), saams (Zuidwest-Drenthe, zuid), saems, saemens (Zuidwest-Drenthe, noord). Tevens saam etc. bij een begroeting = samen Wij gaot er samen een daggie op uut (Pes), Zuw het samen kopen? (Pdh), Goeienaovend samen (Hgv), Iets saams doen (Hol), Dag saom, zee e en gung zitten (Row), Wij bint daor te saomen naor toe gaon (Dro), z. ook tezaam, zames
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
samen , zames , bijwoord , (wm) = gezamenlijk Um zames voort te boerken om met elkander de boerderij te besturen en het land te bewerken, z. ook samen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
samen , saomkes , samen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
samen , samen , 1. samen; 2. groet aan een gezelschap
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
samen , saemm , samen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
samen , saome , samen , Saome kunne we veul, éijgelek alles, mér nie iederiin die gléúfd dé, ik ók nie. Samen kunnen we veel, eigenlijk alles, maar niet iedereen die gelooft dat, ik ook niet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
samen , saom , saomen, saemen , bijwoord , samen, gezamenlijk, met elkaar; de var. saom wordt gebruikt in verb. als Goeienaovend saom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
samen , saome , samen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
samen , saom , saome , bijwoord , samen; Saome waandele meej de kènder. Cees Robben - ...saom op stap... (19540814) Pierre van Beek - We hèbbe saomen in dezèlfde waaj gelôope. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAMEN - samen; men zegt 'te samen' en niet 'te zamen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal