elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scheurwortel

scheurwortel , scheurwortĕl , smeerwortel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
scheurwortel , scheurwortel , Consolida Major. Smeerwortel.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
scheurwortel , scheurwortel , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = ridderzuring, Rumex obtusifolius Scheurwortels zit er tegenwoordig weer genog in het laand (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scheurwortel , scheurwottel , zelfstandig naamwoord , de; ridderzuring
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
scheurwortel , scheurwortel , klein hoefblad (tussilago farfara) (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal