elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scheuvel

scheuvel , scheuvel , schaats, ook Gron. Oostfr. schöfel, Neders. striedschoe, HD. Schlittschuh. Van: schuiven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
scheuvel , schevel , voor: groot, forsch, sterk vrouwspersoon. Vgl. ʼt Oud-Hoogduitsche scaffon = bezig zijn, arbeiden, alsmede het Opperduitsch schaffen = bevelen, gebieden; Friesch skevel, verachtelijk voor: vent, kerel. Zie ook: allartenschevel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
scheuvel , scheuvel , schaats, smidsscheuvels = schaatsen waarvan de ijzers door een grofsmid zijn vervaardigd, ter onderscheiding van koopscheuvels = fabrieksschaatsen, en ook voor de ijzers afzonderlijk, waarvoor men ook zegt: smidsiezersde scheuvel ophangen = uitdagen tot een wedstrijd op schaatsen; de scheuvel oftrekken = den strijd aanvaarden; op scheuvels wezen, eig. = zich vermaken met schaatsenrijden; fig: zich vergissen, in de war zijn, dwalen; met iets op scheuvels wezen = te sterk met iets ingenomen zijn, er geheel mee wegloopen en zich zoo aan overdrijving schuldig maken; ook = eenigszins met die zaak verlegen zijn. Drentsch scheuvel, Oostfriesch schöfel, Nedersaksisch striedschoe, Hoogduitsch Schlittschuh, en, verkeertelijk, Schrittschuh. Zie: schouvêln.
scheuvel an hebben: eenigszins dronken zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
scheuvel , scheuvĕl , 1). schaats; scheuvĕls loopĕn, schaatsenrijden; 2). eeltknobbels aan de pooten v. e. paard.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
scheuvel , skeuvels , zelfstandig naamwoord meervoud , Schaatsen (De Bangert bij Wervershoof). Het woord is verwant met schuiven, schuifelen. Vgl. Fries skeuvelje = zich schuifelend of glijdend voortbewegen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
scheuvel , scheuvels , (oude benaming voor) schaatsen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
scheuvel , scheuvel , de , scheuvels , schaats ’s Winters, as der ies is, is der vaok hardriederaai op scheuvels (Pei), Wil ie mij mien scheuvels wel underbinden, ik heb kaolde handen (Eex), Zie bint an het hardrennen op de scheuvels (Wes), (fig.) Hie ridt een schieve scheuvel (Sle), z. ook schaats
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scheuvel , skeuvel , zie skase
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
scheuvel , scheuvel , scheugel, schuvel , zelfstandig naamwoord , de 1. schaats 2. balk waarop een bep. soort ploeg voortglijdt en steunt (zoals elk der ribben van een slee) 3. in een dikke scheuvel een dikke vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
scheuvel , skeuvel , zie: skaatse.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal