elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schichtig

schichtig , schüchtig , (bijvoeglijk naamwoord) , schuchter, bang.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
schichtig , schichtig , (bijvoeglijk naamwoord) , schuchter, bang.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schichtig , schichter , schichterig , (bijwoord) , Daarnaast skifter. Schichtig, schrikachtig; van paarden. Alleen in verbinding met kijken. || Wat kijkt dat peerd skifter. – In dezelfde zin zegt men ook schichterig (de Wormer). – Vgl. schichtig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schichtig , schichtig , schiftig , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Daarnaast skiftig. Zie de wdbb. || Een schiftig peerd. – Ook: haastig, beweeglijk. || Die jongen is zo skiftig, i ken gien ogenblik stilzitten. Je hebbe ’et deksel vast wat schichtig op’emaakt (opengedaan), dat ’et scharnier los’esprongen is. – Ook bij de 17de-eeuwse Hollanders komt het woord herhaaldelijk voor in de zin van haastig, driftig, plotseling; zie OUDEMANS 6, 163. – Vgl. schichter.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schichtig , schiftĕch , schuw, bang.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schichtig , schichtig , schie, schuftig, schoftig, schörftig, schiftig, sc , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook schie (wm), schuftig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), schoftig (Midden-Drenthe, Veenkoloniën), schörftig (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), schiftig (Zuidoost-Drents zandgebied, ti), schuchtig (Zuidoost-Drents zandgebied, N:dk) = schichtig, angstig Det peerd is nogal wat schichtig bij de weg (Pes), Een schichtig peerd muj altied in de gaten holden (Scho), Die vogel krigst doe nich to zein, dei is schuchtig (Bov), Hie kik zo schuchtig oet (Sle), Hij is wat schuftig, hij zal wat op zien kerfstok hebben (Ruw), Hej weer wat oetvreten? Ie zit daor zo schoftig (Hoh), Hai gedruig zuk wat schörftig (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schichtig , schiftig , (Gunninks woordenlijst van 1908) schichtig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schichtig , schichtig , schiftig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , schrikachtig, vreesachtig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal