elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schieuw

schieuw , [vogelverschrikker, lelijk persoon] , schiw , (onzijdig) , tuinspook, molik, leelijk mensch. Schiw of schif is één met schich in schich-tig, schuwachtig. Eng. e-schew, schuwen. Ital. skifare, schuwen. Isl. sky, ijzing. Vocab. 1472. priapus, een vede, [mentula] vel een scu in eenen hof.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
schieuw , schiew , Vogelverschrikker, tuinspook, schrikbeeld in hoven, enz. waar men de vogels mede bang maakt, molik. Schiew of schuuw (schuw), Duitsch Scheuche, Kiliaan Schouw, terriculum, hetwelk het Dict. tetraglotton 1714 overzet door: ‘chose qui épouvante, épouventail. Een vervaerlijk ding, dat vervaerdheyd aenjaegt, een sjamme;’ waarvoor onze Staten-bijbel schouwsel (Duitsch Scheusal) heeft, Baruch, VI , vs. 69. Het woord behoort tot schuwen (schouwen), uit vrees vermijden, enz. Duitsch scheuchen. Het Fransch heeft voor ons woord épouvantail van épouvanter, schrik aanjagen, vervaard maken. Schiew past men ook toe op menschen, die wonder vreemd toegetakeld en opgeschikt zijn: ‘i ziet er net uut als een schiew;’ zoo zegt men ook schiewleelijk voor afschuwelijk leelijk, zoo leelijk en mismaakt als een schiew of spook, elders schreeuwleelijk. Bij Dr. van Vloten, Het Nederlandsche kluchtspel, vind ik het woord scu gespeld, als blz. 18: ‘….. siet mi descn scu‘ en blz. 23: ‘besiet mi wel, dunc ic u een scu?’ vergelijk de plaatsen in heur verband.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
schieuw , schu , vogelverschrikker.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
schieuw , [vogelverschrikker] , schiw , schu , (onzijdig) , vogelerschrikker.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schieuw , [vogelverschrikker] , schîw , (onzijdig) , Vogelverschrikker. ʼn Gek, lélek schîw – een mal, leelijk meisje, een mal, lelijk spook. Wvl. schuw – épouvantail en ook fig.: – ʼn Leelijk schuw van ʼn wijf. (de Bo).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schieuw , [vogelverschrikker] , schiw , vogelverschrikker, V, 85.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schieuw , [vogelverschrikker] , schîw , (onzijdig) , Vogelverschrikker, ʼn Gek, lélek schîw – een mal, leelijk meisje, een mal, leelijk spook. W-Vl. schuw – épouvantail en ook fig.: – Een leelijk schuw van een wijf (de Bo).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schieuw , skiw , zelfstandig naamwoord, onzijdig , skiw(w)e , skiwken , spookverschijning,1 spook, 2 vogelverschrikker
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schieuw , schiew , vogelverschrikker.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schieuw , schieuw , schiw , vogelverschrikker.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schieuw , scheeuw , de , scheeuwen , (N:po) = vogelverschrikker, pop in de boom i.p.v. zoor holt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schieuw , skiw , skieuw , (Kampereiland) wit bord of witte doek waarmee men werkvolk dat aan het werk is op het land, waarschuwt dat het tijd is om te eten. Ook: skieuw (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schieuw , schiew , vogelverschrikker.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schieuw , schieuw , schuw , vogelverschrikker, doorgaans in samenstelling: artenschieuw, aarteschuw, hennepschieuw.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal