elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schijfloop

schijfloop , schijfloop , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. steenschijfloop en zie op bonkelaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schijfloop , schieveloop , ond. molen, 36.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schijfloop , schieveloop , schiefloop, schieflope , de , (Zuidwest-Drenthe). Ook schiefloop, schieflope (Zuidwest-Drenthe, zuid) = houten klos met katrol, waardoor een touw loopt Mit de schieveloop trekke wij het voor heui strak (Hav), Mit een schieveloop muj de wezeboom antrekken (Zdw), Mit mudden rogge hadden ze een dubbele schieveloop; mit rogge of heui een kleine schieveloop (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal