elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schilderij

schilderij , schilderei , schilderij , (vrouwlijk), voor alle teekeningen in eene lijst aan den wand, hetzij in inkt, krijt, houtskool, of in olieverf, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schilderij , schildĕr , plaat, prent.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schilderij , skeelderieje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , ingelijste wandplaat
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schilderij , schilderéêj , m , schilderij De schilderéêj Het schilderij; Wá’n schilderéêj! Wat een opgedirkte dame!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schilderij , skulderaai , zelfstandig naamwoord ’t , Variant van schilderij, ook: alles wat ingelijst is. Meervoud skilderaaie, skilderaais.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schilderij , schilderieje , schilderij.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schilderij , schilderij , de , schilderijen , schilderij Wat hej daor een mooie schilderije an de kaante (Koe), Mit de karstdagen hadden wij takkies hulst tussen de liesten van schilderijgies (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schilderij , skilderi’je , skilderi’j , schilderij. Ook: skilderi’j (Kampereiland)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schilderij , schilderieje , schilderij.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schilderij , schilderèèj , schilderij , Ik héb van't aauw hûis 'n schilderèèj laote maoke èn t’is schón geworre. Ik heb van het oude huis een schilderij laten maken en het is mooi geworden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schilderij , schilderi’j , schilderi’je , zelfstandig naamwoord , de, et 1. schilderstuk 2. ingelijste plaat of prent
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schilderij , skilderi’je , (zelfstandig naamwoord) , schilderij.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schilderij , schilderie , schilderieje, , schilderie , 1. schilderij; 2. al het andere wat ter decoratie aan de muur hangt: borduurwerk, belijdenisplaat, diploma, letterdoek; 3. zwaar opgemaakte vrouw.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schilderij , sjilderie , (onzijdig) , sjilderieje , sjilderieke , schilderij
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal