elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schotel

schotel , schuttel , Schotel .
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
schotel , schotel , In de statuten enz. overgedragen, opgemaakt en gesloten bij Johan Grave tot Nassau Heer tot Breda, den 23. Augustus 1455, onder mij in handschrift berustende, leest men: van schotelen en van bedde bij den geestelijken hove gescheyden. Tegenwoordig zegt men tafel en bed.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
schotel , schöttelen , noemt men collectief de potten en pannen, tellers en teilen, waarin het eten of de middagspijze wordt gereed gemaakt en opgedaan. Van daar het saamgestelde schöttelwater, voor ‘vaatwater,’ dat is het warme water, waarin de geheele etenstoestel, ná gemaakt gebruik, wordt afgewasschen en gezuiverd.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
schotel , schöttel ,  schussel , 1. etensbord. Gron. schuddel, Stad-Gron. schötel = schotel, en ook = etensbord. Oostfr. schöttel, Neders. schottel, HD. Schüssel, AS. scuttel, scutel, Nederd. schöttel, MNederd. schotel, schottel, OHD. scuzila, szuzzila, MHD. schuzel, schüzzel. Van het Lat. scutella, scutula = schotel of kom. 2. schussel = lang opgeschoten mensch, lummel, slungel. Sprw. Hij is van de schussel vallen = hij is niet wel bij zijn verstand.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schotel , schö̀ttel , (mannelijk, vrouwelijk) , schotel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schotel , schötel , schuddel, schuttel , (Stad-Groningsch), verkleinwoord: schöteltien = schuddel; schuttel = schotel; ook: etensbord. Spreekwoord: Veul monden moaken leege schuddels (= Veul swienen geft dunne drank) = Veel varkens, dunne spoeling. ʼt Is altied ʼt vetst in andermans schuddel (ʼt is altijd het vetst in eens anderen schotel) = het lot van een ander achten wij altijd benijdenswaard, niemand is volkomen met zijn lot tevreden; Oostfriesch: In annermans schöttel isʼt altid fetter as in sin egens. Vergelijking: glad as ʼn tinnen schuddel = zoo glad en effen mogelijk, van eene ijsbaan gezegd. Drentsch schötel, West-Vlaamsch schuttel = etensbord; Oostfriesch schöttel, Nedersaksisch schottel, Hoogduitsch Schüssel, Angel-Saksisch scuttel, scutel, Engelsch scutle, Nederduitsch schöttel, Middel-Nederduitsch schotel, schottel, Oud-Hoogduitsch scuzila, scuzzila, Middel-Hoogduitsch schuzel, schüzzel. Van het Latijnsche scutella = schotel of kom.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schotel , scheutel , soort van ijzeren schuif of grendel tot sluiting eener deur, enz.; Friesch skoātel, skotel, schottel, Oostfriesch schȫtel, Angel-Saksisch scyttel, Oud-Engelsch schuttel. – Evenals: scheut = loot, enz. van: schieten. (Bomh. scheut = bout of grendel, die in en uit het slot schuift en de sluiting veroorzaakt; v. Dale: scheut = tong aan een slot.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schotel , [plankje met lange steel om brood in de oven te schieten] , schäotel , (mannelijk) , Een plankje met langen steel, waarop het brood in den oven geschoten wordt, schieter. Ndl. schotel, is in ʼt Dev. schöttel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schotel , schotel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In de bakkerij. Ovenpaal, een platte schop aan een lange steel (2½
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schotel , schuttel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Bijvorm van schotel; zie ald. en vgl. de volgende woorden.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schotel , schotel , schuif in een kachelpijp enz., vergel. scheutel *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schotel , schotel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast soms nog skottel en schuttel. Schaal. Zie de wdbb. – Zegsw. Op een aâr zijn schotel is ’t altijd het vetst, men houdt altijd eens anders deel voor beter dan het zijne. –’t Zel nog wel in zijn schoteltje kommen te druipen, het zal ten slotte hem wel ten voordele komen. – De vormen schottel en schuttel zijn ook elders in N.-Holl. bekend; zij komen ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers voor (zie de wdbb.), alsmede in middeleeuwse stukken. || II Iseren scuttelen, Rek. v. Egmond, f° 26 r° (a° 1388). Tynnen scuttelen, ald., f° 30 v°. – Vgl. schutteldoek en schuttelwater.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schotel , schotel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Houten of ijzeren pin, die voor iets geschoten wordt. – 1) Grendel, schoot. Ook elders gebruikelijk. || Doen de schotels op de luiken. Een kas (kast) … met vierkante schotels en sleutels, en 3 knipsloten en 3 grendelsloten, Hs. bestek weeshuis (O.-Zaandam, a° 1737), Zaanl. Oudhk. ’t Een of ander instrument ... waarmeede soodanige force op de deur en ’t slot is gedaan, dat een gansch stuk hout van de binnenkant van de deur is afgebroken en de schotel van ’t slot (sluytende door middel van een gat, omset met een ijzere plaat in de deurpost) kromgeboogen en uyt gemelde post geweeken is, en dus voorsz. deur opgemaakt, Hs. T. 33 (W.-Zaandam, a° 1769), prov. archief. Van buyten wierdt ’er soo fel op (de deur) gearbeydt …, dat slot en schootels op sprongen, N.-Holl. Ontrust. 58. 2) Meest in verkl. schoteltje. Kleine houten pin of wig, die dwars door een door een stuk hout gestoken plank, lat, staaf, enz. of een daarin geslagen kram geschoten wordt, om het losschuiven te beletten. || De schoteltjes van een wiel (de lenzen). De achterscheer van een weeftouw steekt an beie kanten deur de zijstukken en is mit schotels vast’ezet. In ’en molen zitten ’en hoop schoteltjes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schotel , scheutĕl , 1). plank aan een steel om brood uit de oven te halen; 2). voor- en achterplank i. d. miegebak; 3). plank op zij en van voren in de toe-krulĕwagen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schotel , schäotel , (mannelijk) , Een plankje met langen steel, waarop het brood in den oven geschoten wordt, schieter. Ned. schotel, is in het Dev. schöttel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schotel  , schôttel , schôttele , schuttelke , schotel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schotel , schuättele , [sxŭætәlә] , schuättele , schuätteltien , schotel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schotel , schurrel , schotel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schotel , schuttel , schotel. Een heerlijke schuttel met brai.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
schotel , skôtel , zelfstandig naamwoord de , 1. Grendel, ijzeren schuifbout tot afsluiting van een deur. 2. Balk die in horizontale stand wordt gelegd om inrijdeuren vast te zetten. 3. Ovenpaal, platte schop om o.a. brood in de oven te schieten of om het er weer uit te halen. Het woord is een afleiding van het werkwoord schieten. Zegswijze de skôtel is deur de oven, de zaak is verbruid, de zaak is failliet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schotel , skuttel , zelfstandig naamwoord de , (Etens)schotel, (voorheen doorgaans van grof aardewerk). Uit Latijn scŭtella = platte schotel, schaal. Vgl. Fries skûtel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schotel , sjóttel , botervlootje.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schotel , schootel , zelfstandig naamwoord , schotel. ’ne Schooteldoek is een vaatdoek. Schootelwaoter is het water waarin d’n omwaas (de vaat) gedaan wordt. Dit zegt men ook van slappe thee of koffie.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
schotel , schöttel , schötteltie , schotel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schotel , schöttel , schottel, schöddel, schuddel, schuttel, schörrel , de , schöttels , Ook schottel (Zuidwest-Drenthe), schöddel (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), schuddel (Veenkoloniën), schuttel (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), schörrel (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. etensbord, schotel Wij bint met zes man; zet mor zes schöttels op taofel (Sle), Het koppie en het schötteltie waren ongeliek (Die), Vrogger keerden ze het koppien umme in het schötteltien als teken dat men niet meer beliefde (Bro), Ze kregen ’s middags goud wat op schöttel een stevige maaltijd (Eev), Ik lus nog wel een schöttel bonesoep (Een), Vrouger aten ze van schöddels en nou van borden (Erf), De schöttels op de bossem sierborden (Nor), Hij et hum zat van een lege schöttel heeft of krijgt niet veel (Pes) 2. schaal (Zuidwest-Drenthe, noord) Gooi de erpels maor op de schöttel (Dwi) 3. onbehouwen vlegel (Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Het was een schöttel van een vent (Ros) *In aandermans schöttel is het aaltied vet (Nam), z. ook teller
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schotel , schòlt , schòttel , bakkers-, ovenschotel, schotel. schòttele wáássen, de afwas doen. kaauw schòttel, koude schotel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schotel , sköttel , schöddel, schotel , schotel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schöddel (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schotel (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schotel , schöttel , schötteltien , schotel. Al de schöttelties bint kepot, noe muw mâr uut de köppies drinkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schotel , scheutel , zelfstandig naamwoord , de 1. stevige plank ter ondersteuning onder de bodem van de wagen 2. schuif, schot: op en neer te bewegen tussen twee balkjes, ter afsluiting van met name de mestbak 3. schietschop van bakkers 4. grendel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schotel , schottel , schorrel, schoddel , zelfstandig naamwoord , de 1. (vaak verkl.) schotel 2. bord waaruit men eet, ook wel schaal voor aardappelen 3. grendel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schotel , schuttel , zelfstandig naamwoord , schuttels , schutteltie , schotel, in het algemeen bedoeld voor de schotel waaruit het hele gezin at Zie schael; Hij kon der gêên kwaod al scheetie in de schuttel Bevoorrecht persoon die geen kwaad kon doen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schotel , káúw schôttel , koude schotel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schotel , schôttel , schotel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schotel , schôttele wààse , afwas doen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schotel , sköttel , (zelfstandig naamwoord) , schotel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schotel , schóttel , schuttelke , schotel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schotel , scheutel , schieter, platte schep waarmee de bakker het brood in en uit de oven schuift.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schotel , schottel , schöttel , 1. schotel; 2. sierbord op de schoorsteenmantel; schötteldoek, theedoek.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schotel , sjóttel , (vrouwelijk) , sjóttels/sjóttele , sjuttelke , 1. bord, schotel 2. gerecht
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schotel , schootel , zelfstandig naamwoord , schuttelke, scheutelke , schotel, schaal; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zie mar is dègge de schootels ónder den òrecht krèègt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om voort te maken met het werk; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schootel zelfstandig naamwoord  - schotel; scheutelke, schuttelke - verkleinwoord; Henk van Rijen - schoteltje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schotel , scheutel , (ald Veldes) ovenpaal
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
schotel , schóttel , schóttels , schuttelke , schotel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal