elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schoteldoek

schoteldoek , schöldoek , schötteldoek , schoteldoek, contr. van schötteldoek.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schoteldoek , schuddeldouk , schutteldouk, schöteldouk , vaagdoek, waschdoek tot reinigen van tafel en eetgereedschap, door ’t boerenvolk op ’t Hoogeland ook Renske (vrouwennaam) geheeten; krieg de schuddeldouk en wisk die de mond of; geef mie Renske even, ’k heb hier wat greemd. Vergelijking: slap als ’n schuddeldouk wezen = geheel machteloos zijn, bv. door flauwte of dronkenschap; ook Nedersaksisch, bij v. Dale: slap als een vaatdoek. Friesch schuddeldoek, Zeeland schutteldoek, Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch schotteldook.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoteldoek , schutteldoek , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Vaatdoek; bij VAN DALE schoteldoek. Zie schuttel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoteldoek , schötteldoek , vaatdoek, V, 41.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schoteldoek , schótteldoek , m , vaatdoek.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schoteldoek , skutteldoek , skuddeldoek , zelfstandig naamwoord de , Vaatdoek. Vgl. Fries skûteldoek. Verkleinvorm skutteldoekie. Vingerdoekje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schoteldoek , schötteldoek , vaatdoek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schoteldoek , schötteldoek , schöldoek , de , Ook schöldoek (dva) = 1. vaatdoek Met de schötteldoek veegden ze vroeger de kinder ok de mond wal of (Hoh), Dei vrouw dreugde de koppies of met een glidderige schuddeldouk (Erf), Je mugt de schötteldouk ook wel is oetkoken (Eev), De pastoor komp der an; gauw mit de schutteldouk over taofel (Nsch), De schutteldoek was glèerderig (Eri), Hie is goed anscheuten, hie is zo slap as een schutteldoek (Emm), Hie hef een kleur as een schöddeldoek, ...schötteldoek een gore gelaatskleur (Sle), ook Hie hef een gezicht as een voele schutteldouk (Pei) 2. slap persoon (Zuidoost-Drents veengebied) Een slap onstandvastig persoon was hier een schötteldouk (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoteldoek , skötteldoek , (Kampereiland, Kamperveen) vaatdoek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schoteldoek , schotteldoek , schorreldoek, scholdoek, scholledoek, schoddeldoek , zelfstandig naamwoord , de; vaatdoek, afdroogdoek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schoteldoek , skötteldoek , (zelfstandig naamwoord) , vaatdoek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schoteldoek , schotteldoek , vaatdoek, doek waarmee de afwas werd gedaan
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
schoteldoek , schôtteldoek , vaatdoek , de schôtteldoek lëët aachter ut mesien de vaatdoek ligt achter het oliestel
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
schoteldoek , schotteldoek , zelfstandig naamwoord , vaatdoek (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schoteldoek , schooteldoek , zelfstandig naamwoord , vaatdoek; WBD schooteldoek, schootelvòd, schootelslèt = vaatdoek (III.2.1:291); WBD (III.2.1:295) schooteldoek, theedoek, handdoek, afdrooghanddoek, keukenhanddoek, droogdoek, afdroogdoek, vaatdoek, enen doek om af te drogen = droogdoek
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
schoteldoek , schootelduukske , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord; Henk van Rijen - vaatdoekje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal