elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuifje

schuifje , schoefie , schoefien , (schuifje, ook daar, waar men ie, en: ien niet als verkleiningsuitgang gebruikt), in: op schoefies loopen = er op uit zijn om eene guitenstreek uit te voeren, in gezelschap van meisjes te komen, of ook de gelegenheden opzoeken waar men op een goed onthaal kan rekenen, meer voor de aardigheid dan uit hebzucht; dus synoniem met: op schoaverdebōnk loopen. Oostfriesch schüfke = guitenstukje, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schuifje , schoofje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In de uitdr. op de schofies lopen, klaplopen. Zie schuifje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schuifje , schuifje , (skoifie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In de uitdr. op de schuifjes lopen; daarnaast op de schofies lopen. Klaplopen. || Die vent loopt altijd op de schofies. – Ook van werkvolk dat los werk zoekt: nemen wat men krijgen kan, onverschillig wat. || Me man heb gien werk; hij loopt nou zowet op de schuifies. – Een schuifje is dat wat van de tafel geschoven wordt, wat van (des rijken mans) tafel afvalt, beetje, restje; wie op de schuifjes loopt is dus een panlikker, klaploper. Het woord komt bij de vroegere Holl. schrijvers meermalen voor (zie OUDEMANS 6, 235; HARREBOMEE 2, 262). Ook vindt men de samenst. schuifjesloper (b.v. ALEWIJN, Besl. Swaantje (ed. 1715), 39). Vgl. verder de Ned. uitdr. iets voor een schuifje kopen, voor een prikje, bijna voor niets. – Ook schuifelen (Vla. schoefelen, Brab. schuffelen) wordt gezegd voor klaplopen, tafelschuimen (zie DE JAGER, Freq. 1, 613). Daarnaast hoort men in Zuid-Nederl. op de schoef gaan, komen, lopen (DE BO), en op schuffel gaan, lopen (SCHUERMANS).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schuifje , schoefien , spel, 26.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schuifje , schoefien , het , schoefies , 1. schuifje Het schoefien was oet de kachelpiepe vallen (Bov), z. ook kachelschoefien, schoef 2. voordelig koopje (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Die lop altied op een schoefien, die wil het liefst alles veur niks hebben (Wee), Hie löp op schoefies (Sle), Op een schoefie lopen is hetzölfde as op schobberdebonk lopen (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schuifje , [deurtje ] , sjuufke , (onzijdig) , deurtje in de biechtstoel , ’t Sjuufke kriege: als het deurtje dichtging, werd de absolutie geweigerd bij ’t biechten.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Schuifje , Schuiffie , Jan Linssen, Feyenoord; hij kreeg die bijnaam, omdat hij zich bediende van de schuifpass: ‘Als ik de bal in de voeten van een medespeler wilde schuiven, deed ik dat met de binnenkant van de schoen, want dat is de zuiverste manier. Als ik de wreef gebruik loop ik de kans dat de bal afwijkt.’
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal