elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schuins

schuins , skuunsch , (= schuinsch), in: skuunsch knaopien = zwierbol, doordraaier, iemand die het schuin aanlegt. Gron. schuuns of schuin heer, bij v. Dale schuinslooper, schuinsmarcheerder.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schuins , schuuns , schuins, schuinsch, da’s ’n schuuns heer = dat is een doordraaier, zwierbol, verkwister, bij v. Dale: schuinslooper, schuinsmarcheerder; Drentsch skuunsk knaopien = zwierbol van een jongen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schuins , schui , schuins.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
schuins , skuuns , bijwoord , schuin
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schuins , schuunse , m , schuinsmarcheerder ’ne schuunse Een schuinsmarcheerder.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schuins , sjuuns , schuin, scheef.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schuins , schuinewèg , schuin. ook schuins.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
schuins , skuins , schuin
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schuins , schûns , scheef , Dé tûrf schöpke in Nittersel hèng'ter vórt schûns bè, dé mieterd urdaogs in mekaor. Dat turfschuurtje in Netersel hangt er voort scheef bij, dat valt binnenkort in elkaar.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schuins , schuins , schuint , bijvoeglijk naamwoord , onstuimig Serrestije kennet schuins weer weeze In de herfst kan het onstuimig weer zijn; ’t Is schuint weer Het is slecht weer
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schuins , schùìjns , scheef
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schuins , skuuns , (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord) , schuins. Ier skuuns tegenaover.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schuins , schöns , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , schuins; schuin; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schuinsche bakken'; Cees Robben - ene schönsmarsjeerder; WBD III.1.4:210 'schuins' = boertig; ook 'schuin'; WBD III.1.4:341 'schuins gaan' = geen succes hebben; Goem. SCHUINS bw: hij woont schuins over mij; WNT SCHUINS - in een van de loodrechte of evenwijdige afwijkende richting; op een onvriendelijke, onplezierige wijze
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal