elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: siepel

siepel , cipels , uijen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
siepel , sipel , (vrouwelijk) , sipel, ui.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
siepel , siepel , ui. Van Hall Neerl. Plantensch. bl. 226: In Groningen, Friesland siepels = uyens, ajuin, Allium cepa. – Stadsfriesch sijpels, Overijselsch, Geldersch siepels. Oudtijds: cypel, cibolle (Mellema), cypel, cebollen, cibol (Kil.), Oostfriesch sîpel, Nedersaksisch zipolle, Holsteinsch zippel, sippel, Middel-Nederduitsch sipele, Engelsch cibol (kleine soort van uien); Fransch ciboule (sauslook, bieslook, Allium fistulosum (Kramers)); Westfaalsch sipel, Hoogduitsch Zwiebel, Italiaansch cipolla, Spaansch cibolla. Van het Latijn caepa = uien, ajuin; caepula = soort van kleine uien. Samenstellingen: siepelsmoak, siepelber (uienbed), siepelreuk, siepelschil, siepelvlees, (enz.), siepelpankouk. Vergelijking: rond as ʼn siepel. – Van een persoon die wonderlijke kuren heeft, zegt men: ʼt is ʼn roare siepel = ʼt is ʼn roare sienees (Chinees), enz. veur den siepel! = voor den drommel! “ʼt Geroup en gereer worde der veur den siepel nog slimmer van.” (v. Dale: siepel = ui, zonder er: gewestelijk, bij te voegen; toch zal het woord niet als Nederlandsch mogen aangemerkt worden.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
siepel , siebel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Ui. Weinig gebruikelijk. Het gewone woord is ui. || Haal ers wat siebels (of siebelen). – Elders zegt met siepel, b.v. in Friesl. en de Saksische delen van ons land; zie FRANCK, MOLEMA, GALLÉE enz.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
siepel , siepĕl , ui.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
siepel , siepele , vrouwelijk , ui
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
siepel , siepl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , siepls , sieplken , ui
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
siepel , siepel , ui
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
siepel , swiebel , zelfstandig naamwoord , Ui. Vgl. Fries sipel. Hiernaast de vormen siepel en siebel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
siepel , siepel , de , siepels , 1. ui Siepels poten mot gebeuren bij volle maon, aans gaot ze umliggen (Eex), Wat breekt mij de siepels op bezorgen mij oprispingen (Coe), Gesneden siepels en broene suker bint goed tegen prikkelhoest (Eli), Gesneden siepels ’s nachts naost het bedde maak ij verkoldheid met lös (Hoh), Siepels en sjalotten wilt het allerbeste op geile grond (Zdw), Hij is zo gek as een siepel helemaal gek (Hijk) 2. (glasbl.,de:Nbui) deel van de glasvorm, dat de ziel van de fles vormt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
siepel , siepel , zelfstandig naamwoord , de 1. siepel, ui 2. sufferd, domoor
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
siepel , siepel , (zelfstandig naamwoord) , ui.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
siepel , siep , siepel , ui; siepeltje, sjalot.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal