elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: siepeltrien

siepeltrien , siepeltriene , schertsend voor: lachebek, vrouw of meisje dat met het eene oog kan lachen en tegelijk met het andere schreien. Samengesteld uit: siepel, en: triene = Trientje, Trijntje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
siepeltrien , siepĕltriĕnĕ , iem. die steeds klaagt.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
siepeltrien , siepeltrien , de , 1. enigszins vreemd, wat dom vrouwspersoon, kleinzielig, maar ook eigenwijs. Wordt ook als scheldwoord gebruikt Een siepeltrien is wat een allerhande (Sle), ...iene, die wat hie mit de haande opzet met de kont weer umgooit en daor verschrikkelijk over zeurt (Pdh), ...is ein, die der wat in omdreumt (Row), Wat een siepeltrien van een wicht aanstellerig, hittepetit (Anl) 2. pop (Zuidwest-Drents veengebied) Mien grootva snee oet een stuk holt een poppekop mit een lange hals. Door weur dan een lief anmaakt en dat nuimden wie een siepeltriene (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
siepeltrien , siepeltriene , siepeltrien , zelfstandig naamwoord , de 1. (meestal van een vrouw gezegd) sufferd, domoor; ook: eigenaardige, suffige persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal