elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sikkerig

sikkerig , sikkerig , (bijvoeglijk naamwoord) , Een weinig aangeschoten, draaierig, half dronken. || Als je in die armstoel zitte, hindert ’et niet of je ’en beetje sikkerig worre: je ken der toch niet uitvallen. – Elders hoort met ook sikker (vgl. Schoolmeester 200). – Het woord zal wel verwant zijn met Ned. zijgen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sikkerig , sikkerĕch , dronken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
sikkerig , sikkerig , bijvoeglijk naamwoord , Variant van sikker, dronken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal