elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slag

slag , slagen , water-slenken in laag land. Zie knip-slagen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
slag , slag , "soort of hoedanigheid; ook manier."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
slag , slag , pand, deel, bv. in eene markte, van een kerkhof, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
slag , slachte , (vrouwelijk) , [weinig gebruikelijk] slacht, soort.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
slag , slag , (mannelijk) , slége , slag, hoefslag, wagenspoor.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slag , [deel van een molendam] , slag , (onzijdig) , de sperplanken in een molendam (zie slacht).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slag , [perceel, deel van een akker] , slag , slége , (mannelijk) , afdeeling van een akker.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slag , slag , in: an slag kennen komen = kunnen beginnen, in de gelegenheid zijn; ʼk wōl ook nog wat zegd hebben moar ʼk kon nijt an slag komen = men gaf mij geene gelegenheid om ook iets in ʼt midden te brengen; an ʼt slag wezen, bij ʼt kaartspel = moeten uitspelen, uitkomen; an ʼt slag komen = kunnen uitspelen na den laatsten trek gewonnen te hebben. Voorts: ʼt is zooveel as ʼn slag an de hals = dat weinigje helpt niet, is geheel onvoldoende om den honger te stillen; ’n slag an de pōmp doun = den zwengel van eene pomp één keer snel op en neer, of: heen en weer bewegen; onze klok (of pendule, enz.) is van ’t slag of = slaat meer of minder dan zij aanwijst; wie zellen hōm weer op slag brengen; ’n slag om d’arm hollen = niet oprecht zijn, niet voor zijn gevoelen uitkomen; die smid heeft dit jaar gijn slag wark van mie had = die smid heeft dit jaar gijn slag veur mie doun = ik heb hem dit jaar geen werk gegund; ’k wil gijn slag meer doun = ik schei (vandaag) met werken uit. (West-Vlaamsch: ik wil geenen slag meer werken = ik ga rentenieren.) iemand onder slag hebben = onder den duim hebben, onderdanigheid van hem vorderen; slag op slag (= iederbod) = telkenmale, iedere keer, zonder éénmaal te missen; ’k zel ’t op slag doun = ’k zal het terstond doen; ik koom op slag = ik kom dadelijk; om dei slag (= om dei gooi) = omstreeks die grootte, dien prijs, enz.; ’n slag grooter = als van voorwerpen van dezelfde soort het eene een weinig, bv. een nummer grooter is; mit ’n slag in de rug (of: rōgge) loopen = zoo recht als eene kaars loopen; slag van de blinde = blinslag = eene der draaibare deelen van een vensterluik; dou ’n slag van de blinde dicht, de zun schient mie in ’t gezicht; op slag van deur zitten = aan den kant waar de deur openslaat, zooveel als: op den tocht der deur zitten; ’n slag noa sloagen = bij benadering opgeven, van een prijs, tijd, afstand, enz., zóó als men denkt dat het kan zijn, volgens gissing van den spreker, bij v. Dale: eenen slag in iets slaan = er naar raden; hij het gijn slag om mit kinder om te goan; bij van Dale: den slag van iets hebben = de gewoonte, enz. – Wij verstaan er onder: daarin handigheid, bedrevenheid verkregen hebben ten gevolge van veel doen, waartoe ook dikwijls de aanleg niet mag ontbreken; hij ken de slag d’r nijt van kriegen, ’t is anders zoo’n starke kerel, bv. van keienkloppen, waarvan het gevolg is dat het hem zuur valt en hij met den grootsten ijver nog weinig uitvoert. Zie ook: hoed.
op slag = dadelijk, terstond; ik koom op slag; ’k dou ’t op slag; ’k goa op slag noa hoes; ook Zuid-Hollandsch ontleend aan het slaan eener klok. Vgl.: ’t is op slag van tien, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slag , slag , Op slag, dadelijk (verl. en toek.) Ik bin daor op slag nòg ewest. Ik zal op slag kommen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
slag , slag* , zie ook stöt *, palmslag * (bl. 552) en koop en slag * (bl. 219 en 536); vergel. op slag *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
slag , slag , (zelfstandig naamwoord mannelijk en onzijdig) , Zie de wdbb. – Op slag, terstond, zo dadelijk. || Ik ben op slag klaar. Op slag kom ik bij je. Evenzo elders in Holl., Overijs., Friesl., en Gron. – Ook als benaming voor planken borden die neergeslagen kunnen worden; b.v. de neerhangende bladen van een vierkante tafel, die opgezet kunnen worden om de tafel te vergroten. Vgl. slagtafel. || Een tafel met slagen. – Zo ook de van boven aan scharnieren hangende borden van twee planken, die deel uitmaken van de muur van pakhuizen of schuren, en die bij goed weer worden opengezet, doch bij regen gesloten zijn. Vgl. krapstok. || Zet effen ’en slag op; ’t is hier zo donker dat we niks zien kennen. Slagen en klampen tot de droogschuur, Hs. invent. papiermolen (a° 1774), verz. Honig. – Vgl. de samenst. aanslag, doorslag, hamerslag, haverslag, naslag, robbeslag, voorslag, vrijnslag.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slag , slag , 1). wijk, buurt v. d. gemeente, (in deze bet. verouderend); 2).um die slag, ongeveer zóóveel; 3). op slag, terstond.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
slag , slag , Op slag, dadelijk (verl. en toek.). Ik bin daor op slag nòg ewest. Ik zal op slag kommen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slag , slag , mannelijk , slääge , slag; op slag: terstond; ook: vandaag aan de dag. Vån et zölfde slag: van dezelfde aard.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slag , slaage , slage , Betekent in Twente niet een wagenspoor, dat noemt men een spoor of spaar en wagenspaar, maar het wordt gebruikt van eenen voerweg (rijweg) die veel gebruikt is en een open spoor heeft. Als de voerlieden zien dat twee wegen, waar eene naar een of ander huis loopt en weinig bevaren (bereden) is en de andere naar eene stad loopt, althans sterk bevaren is en open spoor heeft, zich scheiden, zeggen ze van den laatsten: hier gaat de slaage heen, deze is de weg die hetmeest gebruikt en ingeslagen wordt; helleslaage, helleweg, heirbaan betekenen de grote wegen, vias regias. Ook “wagenspoor” in Twente
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
slag , slag , de slagen van je hoofd, slapen.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
slag , slag , zelfstandig naamwoord, mannelijk , slaage , slagjen , 1 slag bij spel of strijd, 2 groep naast elkaar gelegen akkers, 3 soort. t In n slag hebm, er bedreven in zijn; slag ouwr slag, keer op keer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
slag , slag , Op slag van rûst makte héj nog ’n goal. Op moment van rust maakte hij nog en goal.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slag , slag , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze op slag, terstond. | Je moete op slag thuiskomme. Meervoud slage. Slagen, klappen, in de zegswijze de slage valle weer leig, er wordt weer flink geroddeld. Kennelijk is de zegswijze ontleend aan de bokssport.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slag , slaggie , zelfstandig naamwoord ’t , Plank onder het raamkozijn of tegen de wand. Op deze plank werden allerlei spulletjes neergelegd of -gezet. | M’n poip loit op ’t slaggie. Mogelijk behoort het woord bij slaan, in de zin van: plank die onder het kozijn of tegen de wand is geslagen, of moet men denken aan een variant van slechie?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slag , slaag , sort.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
slag , slag , zelfstandig naamwoord , gedeelte van de *wetering dat door een bepaalde ingeland schoon gehouden moet worden (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
slag , slag , op slag: direct; slag op slag: keer op keer.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slag , slachte , slag, slacht , de , (Zuidwest-Drenthe). Ook slag, slacht (vs, po) = stuk boter van 3 pond, ...stuk boter van drie halve nederl. ponden (ndva:Zuidwest-Drenthe), ‘Een slacht weegt 1½ Nederlandsch pond. Deze opgemaakte boter draagt, in Amsterdam althans, de naam van Meppeler Kluiten’ (vs), ...een bottervattien, waor veer of vief slacht botter ien gunk en daor gungen ze mee hen Möppelt, vertelde mien moe (Ruw), Wieder weur de slachte nog mit insniedings van bloemen en deur het bedrukken mit uutgesneden holten stempelties versierd (dc)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slag , slag , de , slagen, slaggen in bet. 2 , (Zuidwest-Drents veengebied) = 1. slag, klap Der zat ok nog een slag ien de buie onweersklap (Flu), Slag op slag was het weer mis telkens weer (Pdh), Zie moe gaf hum een slag um de oren (Hgv), De grote slag was vèur de boer en de kleine slag veur oezölf (Dwi), ...veur de keuter gezegd bij het vlegeldorsen. Bij een grote slag kwam er meer zaad uit (Eex), Hij hef mit het scheuveln een flinke slag (Bco), Die hef een slag mit de meelpute had (Klv), ...van de meelpuut had (Eco), ...van de meul had (Schl), ...van de meulenwieke had hij is niet goed wijs (Wee), (fig.) Die slag komp ze niet weer te boven (Emm), Die oetspraok van de rechter was een malle slag veur hum (Zwin), Dat was een slag in de lucht het sloeg nergens op (Bco), Hij hef nog nooit een slag wark daon heeft nog nooit iets uitgevoerd (Bov), Een rieksdaalder is net een slag an de hals aj oet zint daar kun je niet veel mee (Sle), Dat was hom mor een slag an het oor kleinigheid (Nor), Daor gebeurt die dingen slag op slag telkens weer (Hgv), Slag op slag hebben de jonges ruzie (Nor), Het dunderde slag op slag (Sle), Zunder slag of stoot gaf e zuk over (Oos), Wij eet op slag van 12 precies om 12 uur (Bor) 2. draaiing, kronkel Der zit een slag in de ket (Sti), Hie drèeide zuk met een slag um (Sle), De schroeve mot nog een slag draaid worden (Bov), Aj een slag in de broeksriem hadden, zeden ze wal: Hej de verkering uut, ie hebt jo een slag in de riem (Bei), (fig.) Hij holdt aaid een slag um de narm (Oos) 3. flinke zet Ik heb vandaog een goeie slag slaogen (Anl) 4. gat, kuil Pas op, halverwege zit een slag in de weg (Scho) 5. uiteinde van de zweep An het oetèende van de zweep zit een touwgie, dat is de slag en die kan hard knappen (Nor) 6. golving Zie hef een mooie slag in het haor (Gie) 7. juiste moment Aj wat te koop hebben, moej op de slag passen (Pei), Ie moet op de slag verdacht wezen (Wes) 8. vaardigheid Die meister hef er slag van um mit kiender umme te gaon (Hgv), Dat waark hadden ze in ’t slag konden ze goed (Vtm) 9. model Die jurk zit gien slag of fersoon an (Hijk), Der zit gien slag of scheet an van een groot, log, lomp dier (Bui) 10. uitspraak (Zuidwest-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Hij döt soms rare slagen (Zwin), Die kan er een malle slag deur gooien (Hol) 11. een pad over sneeuw en ijs (dva) 12. manier (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat was gien slag van doon (Pes) 13. slag bij het damspel Nog iene slag en dan he’k het dammen ewunnen (Dwi) 14. polsslag Hij har wal 90 slagen per minuut (Bov) 15. ronde (Zuidwest-Drenthe, noord) Ober, doe der nog maor een slag in schenk nog maar weer eens vol (Dwi), z. ook inslaon 16. in op slag direct Der is beld; ij moet op slag in hoes kommen (Bor), zo ook op slag staon op het punt staan (Zuidwest-Drenthe) Ik stunne op slag um weg te gaon toen de vesite kwamp (Ruw) 17. (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in um (’t) slag ongeveer Hij was um slag zes jaor older (Sle), Om dat slag het dat zowat west zo is het ongeveer geweest (Rod) 18. in met een slag eventjes Hij keek mij zo èven mit een slag an. Toen wus ik wel genog (Ruw), Ik zag hom met een slag op de maark (Zui) 19. in in de slag het goed kunnend Dat waark het hai goud in de slag (Eco), Het kind har het fietsen direct in de slag (Gie) 20. in van slag van slag, van streek De klok is van slag (Sti), Bij het saomen scheuveln was e keer op keer van slag (Ktv), Deur dat ongelok waren de meinsen helemaole van slag (Vle) 21. (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), in Hij döt alles mit de Fraanse slag werkt niet nauwkeurig (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slag , slag , het , 1. soort Dat slag mensen kuj nich mit umgaon, dan hej altied gedonder (Bov), Ha, wat is dat een mal slag van iemand die wat misvormd is in het gezicht (Sle) 2. perceel Het slag dat wij kocht hebt, ligt naost oous greuin in het veld (Eex), Wij hebt nog een slag op dat kerkhof plaats voor meerdere graven (Sle), Een slag is hier het gedeelte tussen twee evenwijdige greppels (Noo), Dat is een mooi slag heideveld (Wap) 3. maat, iets Doe mags die rok wol een slag groter hebben (Ros), Jaan is een slag groter as Haarm (Eex), Aj hebt, doet mij dan mar een slag groter; dizzen zit mij krap genog (Ruw), De broek kan een slag groter (Wes), (...) gien hokkeling mèer, mor een slaggie groter (Hijk) 4. hoeveelheid pasgegraven, gedeeltelijk rechtop neergezette turf Een slag was een ligger met 6 of 7 stört (Bco), In slag zetten was de turf op de kop op het veld zetten (Bco), Veur de verveners - de veenbaozen - mus er in het slag graven worden (Geb), In slag zetten is hetzölde as anslaon (Klv), Törven kroden wie in het slag (Eco), Natte törf wordt uut het slag pakt en in ringen zet (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slag , slag , 1) ondiepe plaats in een sloot, waardoor men bij lage waterstand droogvoets kan lopen. 2) ingang tot het weiland. zie ook hekkeslag.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
slag , slag , slagen , släggien , 1. slag; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: knip; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: stuk land; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: soort. Gunninks woordenlijst van 1908: Op slag ‘dadelijk’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slag , slag , duivetil in de weide. In de doevmslag op Vosbârgn zaetn vrogger veul wilde doevm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slag , slag , (op slag), dadelijk. Wach mâr efmties, ik bin der op slag.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slag , slag , zelfstandig naamwoord , et 1. soort, type 2. goed model, goed figuur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slag , slegge , zelfstandig naamwoord , de 1. laagte, laag gedeelte in het land, ook door verzakking op een plaats waar eerder een sloot was 2. verlaging, verzakt gedeelte in pad, oprit enz. (soms ook door graafwerk ontstaan) 3. ’s zomers droogliggend riviertje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slag , slag , zelfstandig naamwoord , de 1. slag 2. strook die men maait (met de breedte van een maaibeweging met de zeis) 3. golving in het haar 4. activiteit, werkzaamheid 5. zwemslag 6. uitslaande beenbeweging bij het schaatsen 7. handigheid om iets te doen 8. ronding, winding: in een touw, draad (waarmee men oprolt, opwindt of om iets heen slaat e.d.) 9. hoekige bocht, knak, kromming in staaf, wiel e.d., bocht 10. ronddraaiende beweging 11. wandeling, veelal: waarbij men (min of meer) rondgaat 12. gat, kuil (in een weg), wagenslag 13. laagte, lager gelegen deel, ingezakt deel 14. pompende beweging met een zwengel 15. zwengel van een pomp 16. deel van de zweep dat slaat 17. laag pas gestoken turven die op hun punt, twaalf rijen dik, bijeen waren geplaatst tegen de bree (of het leger) om na enige droging te worden gestapeld 18. tikkeltje, maatje 19. weeflade
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slag , slaechie , zelfstandig naamwoord , slaechies , [Nbl] slagje, beetje ’n Slaechie harder, vlugger
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slag , slag , hekkeslag , ingang tot weiland
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
slag , slag , duiventil
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
slag , slag , slag over slag, herhaaldelijk, meer dan eens.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
slag , slag , zelfstandig naamwoord , groep patrijzen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slag , slaag , (mannelijk) , slaeg , slaegske , 1. slag 2. grap, kwinkslag 3. handigheid 4. duiventil 5. slag bij kaartspel 6. slagraam, bovenlicht, klapraam 7. soort 8. korte tijd , Det liktj oette slaag: dat ligt buiten de route. Doe baets dich óm slaeg! Doe maaks mich slaeg: jij maakt wat paraat. Slaag haoje: niet achterblijven; in het ritme blijven. Slaeg kriege wie eine jóngen hóndj. Van eine slaag vèltj geine boum: niet alles lukt de eerste keer. Vanne slaag aaf zeen: van streek zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slag , slag , zelfstandig naamwoord , slag; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nòg êene slag, dan ist blanken deeum (Si'66) - nog een slag, dan is het blanke (Te) Deum (kaartterm bij het rikken, als alle slagen gehaald dreigden te worden) variant: blanke degen WBD III.4. 1:49 'slag' - zingen (van vogels), ook aangeduid met 'fluiten, slaan of slagen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slag , slaag , slaeg , slaegske , slag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal