elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sleets

sleets , [slordig, versleten] , sleetsch , (bijvoeglijk naamwoord) , veel verslijtend. Hij is erg sleetsch op zijn goed, zijn kleeren slijten spoedig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sleets , slets , (bijvoeglijk naamwoord) , snel zijn goed verslijtend.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
sleets , sleets , (bijvoeglijk naamwoord) , snel zijn goed verslijtend.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sleets , slietsk , zie: slietsoam.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sleets , sleets , (slees) , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Ook zegt men: Wat is die naald (van een naaimachine) sleets in zijn oog (als er vele draden breken doordat het oog te scherp is).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sleets , sleetĕl , slijts.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
sleets , slièts , sleits , sleets
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sleets , slees , bijvoeglijk naamwoord , Sleets.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sleets , sleej , stroef, afgesleten, b.v. sleeje tanden = afgesleten en erg gevoelige tanden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
sleets , sleets , sliets , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook sliets (Zuidwest-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = 1. snel en veel verslijtend Aj kleine jongen hebt, is de iene sleetser as de aander (Dwi), Dai jong van ons is slim sleets op zien goud (Vtm), Oous pap was eerder sleets in de sokken (Gas), Wat bist doe sliets met de sokken (Rod) 2. versleten Hij hef een sleetse plek achter de kont (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sleets , sleets , sleets. Sleets wezen ‘snel zijn kleren verslijten’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slieterig (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sleets , sleets , snel verslijtend. Hie is gauw deur zien kleern hen, hie is meraekel sleets.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sleets , sleets , sliets , bijvoeglijk naamwoord , 1. z’n kleren, klompen, schoenen enz. snel verslijtend 2. (van kledingstof, lakens e.d.) bezig te slijten, met slijtplekken)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sleets , sleej , bijvoeglijk naamwoord , stroef aan de tanden (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal