elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sleg

sleg , slei , slaai , (slaai) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zware houten hamer, moker. Vgl. FRANCK op slegge. || Slaan der maar mit de slaai op. – Evenzo elders in Holl., Friesl. en Gron. || 3 Slayen (in een scheepsinventaris). F. MARTENS, Vojagie naer Groenl., Voorwerk 4. – Vgl. de samenst. roedslei.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sleg , [ondiepe greppel] , sleggĕ , ondiepe greppel als scheiteeken v. twee landen; Oldĕmaotssleggĕ.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
sleg , slaai , slooi , zelfstandig naamwoord de , Slegge, sleg, grote houten hamer, vooral gebruikt voor het inslaan van palen. Vgl. Fries slaei. Het woord is een afleiding van slaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sleg , slei , sleg , zelfstandig naamwoord , (KRS: Hout), sleg (LPW: Lop) zeer grote hamer om palen mee in de grond te slaan De vorm slei komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 117). Slei kan zich op klankwettige wijze uit sleg ontwikkeld hebben (zie Schönfeld’s (19708), par. 64, p. 77; vergelijk de paren zegde-zei , legde-lei , (Duits) Segel-zeil ). Op p. 273 noemt Schönfeld’s de ontwikkeling van slei met als betekenis ‘slijmig vocht’ uit een vorm met eg(i) ‘zeer onzeker’. Zie ook *staakhamer en *paalhamer . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
sleg , slegge , de , slegges, sleggen , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. moerassig deel in het land Oppassen daj niet met de wagen in die slegge komt, want dan kuj der wal vastkommen (Hijk), Die slegge, die hew aover ezaand (Ruw) 2. laagte Een knik in de straote is een slegge (Rui), Een leegte in de daoken nume wij een delle of een slegge (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sleg , slegge , slege , de , slegges , (Zuidwest-Drents veengebied). Ook slege met klank naar de ie (Hgv) = grote houten hamer, z. ook slei I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sleg , sleie , slei , zelfstandig naamwoord , de 1. sleg, grote hamer, meestal van hout, vooral voor het in de grond slaan van palen gebruikt 2. sleedoorn 3. (mv.) vruchten van de sleedoorn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sleg , slei , bijvoeglijk naamwoord , in d’r slei naor wezen het willen hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sleg , sleg , zelfstandig naamwoord , slege , slegchie , [O] slegge, grote houten hamer; Een kop as een sleg Een erg dik hoofd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
sleg , sleg , slegge , houten hamer.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
sleg , sleg , zelfstandig naamwoord , grote, houten hamer (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal