elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sleper

sleper , sleper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Op een binnenvaartuig. De smalle lat dwars over het paviljoen, waarlangs de helmstok heen- en weerglijdt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sleper , sleepĕrt , plank aan een touw om ’t land vlak te maken na het eggen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
sleper , slepper , voerman voor transport van zware materialen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
sleper , sleper , sleperd , de , slepers , 1. paardenhouder die iets wegsleept met een paard Daor woont allemaole volk van scheepsjagers en slepers (Hgv), De dennen bint ekapt, nou binne wij een peerd en een sleper neudig (Bro) 2. paard dat de hoeven niet optilt Het ol peerd was zu’n sleper, hij har direct de nokken onder de iezers weg (Pei) 3. persoon die iets (aan)sleept De slepers kunt de gaastezetter good bijholden (Die) 4. iemand die altijd bij de weg loopt (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Die sleper, die is altied bai het pad (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sleper , sleper , sleperd , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die iets sleept, versleept 2. paard voor een trekschuit of wagen (van iemand die vrachten vervoert) 3. iemand die met paard en wagen vrachten vervoert 4. schipper van een trekschuit 5. iemand die met een paard bomen sleept 6. (vooral van vrouwen:) iemand die altijd op weg is naar anderen, die altijd bij pad en weg is 7. slet 8. ijzeren stuk onder de houten as van een wagen, ter bescherming
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sleper , slepper , (zelfstandig naamwoord) , sleper.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
sleper , [trekker ] , sleiper , (mannelijk) , 1. sleper, leerling-houwer, trekker van kolenwagentjes (in de mijnbouw) 2. sleepboot
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
sleper , slèèperd , zelfstandig naamwoord , iemand die 'sleept', d. w. z. bij voetbal op z'n eentje met de bal opdringt, tegenstanders omspelend; ook 'pingelaar' te noemen; V heej slèèperd, gift diejen bòl onderhaand es aaf!
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal