elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: slof

slof , slow , vochtig (Zaansch: dof).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
slof , slōf , vochtig, Gron. = niet kurkdroog, van linnen, katoenen en wollen stoffen of voorwerpen die op eene vochtige plaats hebben gelegen; Oostfr. sluffig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
slof , slof , (bijvoeglijk naamwoord) , slof weer, half mistig half regenachtig weer.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
slof , slōf , vochtig, niet kurkdroog, inzonderheid van linnen, katoenen of wollen voorwerpen die op eene vochtige plaats hebben gelegen; ook Drentsch. – Oostfriesch sluffig = vochtig; sluffig hei = slof heu of hooi; Noordfriesch sloffagh.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slof , slōf , slōffe, slop , muil; zijn werk op slōffen, of: slōffies ofkennen = zijne bezigheden binnen ’s huis hebben. Oostfriesch sluffe, sluf = groote, wijde pantoffel; v. Dale: slof, versleten muil, pantoffel, en: muil = halve pantoffel. Van: sloffen = op sleepvoeten loopen (v. Dale).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slof , slof , slok , vergeetachtig, achteloos, niet bij de hand. Voor zulke vrouwen en meisjes heeft men de schimpwoorden: slofgad, slofhak, slofscheet, slofmoarze, en: slokkebotter, slofferd ook voor mannen. Overijselsch, Geldersch slofhakke = slordige deern die maar voortsloft, de voeten niet oplicht; Geldersch slofhoak = achteloos mensch, (zie v. Dale: slof, 1, 3, 4, sloffen, sloffig); Oostfriesch slok = geestelijk en lichamelijk slap, mat, traag, onachtzaam, dom. Nederduitsch slack, sluck, Middel-Nederduitsch slak, Noordfriesch slack, slock, Oud-Saksisch slac, Angel-Saksisch sleac, Oud-Engelsch slac, slak, Engelsch slack, Oud-Noorsch slakr, Noorweegsch, Zweedsch slak, Zuid-Deensch slok, Oud-Hoogduitsch, Middel-Hoogduitsch slach.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slof , sloeg , sloek, sloef, sloer, sluug , neerslachtig, terneergedrukt, stil, tegengestelde van: opgeruimd, druk, luidruchtig. Friesch sloeg = lusteloos, vadsig, slaperig, traag; Drentsch sloerig = lusteloos, van menschen en vee; Overijselsch sloeg = terneergeslagen, lusteloos; Oostfriesch sluf = mat, moede, lusteloos, moedeloos; Nedersaksisch slukk = ternedergeslagen, treurig; Holsteinsch slurig = treurig, lusteloos, neerslachtig; Noordfriesch sluck, schluck = plotseling verlegen worden. Met: sleuf, sloven, enz. van het Oud-Hoogduitsch sliofan = glijden, slepen, sluipen, Hoogduitsch schliefen. Zie ten Doornk. art. sluf. Bij Swaagman vindt men: “sloeg = lusteloos, traag, werkeloos. Verwant schijnen het Engelsch slow, slothfull of sluggish = lusteloos, werkeloos, het Friesche sloeg, sluwjen, sluwgjen, sleeuw = lusteloos, stomp, langzaam, Geldersch sleedom = stomp. Het komt overeen met het Deensche sløv = langzaam, stomp, dom, verstompt; het oude Hollandsche sloef = slordig gekleed, liederlijk mensch, alsmede: slof, enz.”
sluug (Niezijl, enz.) = slaperig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
slof , slof , (slòf) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Grote, ruime pantoffel. Zie de wdbb. – Sloffie-onder, zeker spel waarbij een slof onder de knieën van de in een kring op de grond gezeten spelers door wordt voortgeschoven. Ook elders zeer bekend. – Bij vergelijking ook als benaming voor een langwerpig klein tarwebroodje, alsmede van het eerste en laatste stuk van een schootje of ander tarwebrood, de puntsnede. Synon. tumpie; zie timp. || Geef mijn ’et sloffie maar. Evenzo in W.-Friesl. – Bij molenmakers zeker werktuig dat ook schuitje heet (zie ald.); in deze zin bij de vakmannen ook elders gebruikelijk (zie b.v. HARTE, Molenb. 30b). – Te Assendelft draagt zeker huis de naam van: de Slof. Het blijkt niet, of het vroeger een publieke bestemming had, noch waarom het zo heet. Bij de plaats waar het staat had vroeger de voltrekking der vonnissen plaats. || Van de overdijking tot de Slof bij het Dampad … Van de Slof tot de Klamdijk, Hs. aanbesteding (a° 1815), archief v. Assendelft.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slof , slof , (bijvoeglijk naamwoord) , Slordig; zie de wdbb. || Hij is erg slof op zen goed. Wat zitten je kleren slof. ’t Is ’en sloffe boel in die winkel. Wat is die drempel slof (d.i. afgesleten). As de schaaien (in een oliemolen) slof worre, moeten ze vernieuwd worre. – Zo ook elders.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
slof , slōf* , 1, vergel. dōf *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
slof , slōf* , 3, bij v. Dale: slof = slordig, slordigheid, slordig mensch; sloffen = nalatig zijn; sloffig = slof, slordig, nalatig.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
slof , [(grote) boon] , sloffĕn , groote boonen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
slof , slof , Koud en nattig (van het weer). Ook: sukkelachtig. D(i)ee vent is vö̀lste slof üm bî zon wîf baas te blîven.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
slof , slof , iets vochtig, traag. Nen sloffen keerl: een slome kerel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slof , sloffe , [slofә] , vrouwelijk , slof, muiltje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
slof , sloffe , zelfstandig naamwoord , slofn , slufken , 1 pantoffel, muil, 2 bruinkoobriquet, 3 onachtzame vrouw, ook slofhakke
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
slof , slof , m , pantoffel; Op de slof vatte vol raken met de (voetbal)schoen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
slof , slof , iets vochtig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
slof , slof , soort pantoffel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
slof , slof , bijvoeglijk naamwoord , Traag, laks, nalatig. Vgl. Fries slof. Zie het N.E.W. onder slof-2. Vgl. Nederlands uit zijn slof schieten dat eigenlijke betekent: uit zijn laksheid ontwaken. Zegswijze ’t raakt in de slof, het wordt vergeten, nagelaten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slof , slof , zelfstandig naamwoord de , Slof, ruime, hakloze pantoffel, in de zegswijze ’t is ’n zaak van slof en skoentje, het is geen zaak om je er druk om te maken, zo belangrijk is het niet. Verkleinvorm sloffie. Ook: kruintje van het brood.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
slof , slof , 1. iets vochtig (van het weer). 2. koekjes die niet meer zo erg vers zijn.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
slof , sloffe , slof , sluffien , pantoffel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
slof , slof , 1. niet vers; 2. enigszins vochtig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slof , sloffe , slof.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
slof , slof , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vochtig Aj een wat sloffe slaopkamer hebt, moej het beddegood geregeld lochten (Hijk), Ik heb de tabak slof (Flu), Boekweit meien mus nao zunsondergaank, dan was ze wat slof (Dwij) 2. nalatig, vergeetachtig (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Hij is wat slof de leste tied, hij verget alles (Row), z. ook slok(s), sloerig, slofferig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slof , slof , sloffe , de , sloffen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook sloffe (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. pantoffel zonder hak, slof Mulen waren mit leren zolen en gien hakken, sloffen waren hielemaole van zacht materiaal (Zdw), (fig.) Hij schöt uut de sloffe valt uit (Hgv), Ik bin der niet an toe ekomen, het is in de sloffe blieven zitten erbij gebleven (Ruw), Hie giet op sloffies de deur oet van een geluidloze wind (Sle), Hij kan het op zien sloffies an gemakkelijk (Eex), ook Hij komp er op een schou en een slof langes (Erf), of Hij komp er op sloffen gemakkelijk (Bro), Hij luip hom het vuur oet de sloffen liep hard om iets te bereiken (Row), Het mannegie zit bij het wief onder de sloffe onder de pantoffel (Eli), Dat is niet volgens de slof zoals het behoort (Bal), ’s Zondags mörgens vief uur is oons Annegien al in de sloffen opgestaan (ndva) 2. deel van de ploeg De sloffe was de strieker achter de schulpe van de ploug (Bco), De sloffe drokt de vore wat uut (Dwi), De slof is dat deeil van de plooug, waoras de plooug op steunt (Eex), ...zit onder de pan (Row), Het glie-iezer nuimden ze slof, maor der zat ook een slof an de maaibalk (Eev) *Sloffien lopen: met hiel grote sloffen achteroet lopen en dan miestal nog met een schötteltien in de hand met knikkers er op (Oos), ..., dan muzzen de wichter op sloffen lopen en goud an de lien hangen (Eev); Sloffien jagen spel op de boerendeel ’s avonds na een dag aardappelrooien (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
slof , slof , (Gunninks woordenlijst van 1908) vochtig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slof , sloffe , pantoffel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
slof , slof , 1. nattig, vochtig. Met dât sloffe weer kom iej der niet toe um uut te gaon. 2. sloom. Wat muj noe in ’n zaeke met zon sloffe keerl beginn?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slof , sloffe , slof (zelfst. naamw.).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
slof , sloffe , slof , zelfstandig naamwoord , de 1. slof, pantoffel 2. in uut de sloffe schieten uitvallen 3. elk der omhulsels om de poten van een paard (meestal in de vorm van zakken; tegen gladheid of wegzakken in het veen of in laag gelegen hooiland) 4. ploegvoet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slof , slof , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. niet bros, niet droog, niet hard en knappend maar enigszins vochtig (gezegd van koekjes en vergelijkbare waren) 2. laks, slof, dralend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
slof , slof , uitdrukking , In de slof blijve [O] Niet gedaan worden, achterwege blijven Azzie ’t vandaeg nie doet blijft ’t in de slof Als je t vandaag niet doet gebeurt het niet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slof , slof , zelfstandig naamwoord , sloffe , sloffie , bruinkoolbriket
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
slof , slof , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , niet vers, zacht geworden (van koekjes).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slof , sloffe , (zelfstandig naamwoord) , sluffies , sluffien , slof, pantoffel, , meestal mv. van het verkleinwoord: sluffies.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
slof , sloffe , zelfstandig naamwoord, meervoud , briketten (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
slof , slóf , (mannelijk) , slóffe , slufke , pantoffel, slof
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
slof , slof , zelfstandig naamwoord , slappe pantoffel; WBD stijlslof: houten plaat die ligt tussen stijl en stijlpor. uitdr. öt zene slof schiete - opvliegen; plotseling met iets bijzonders voor den dag komen (zowel positief als negatief); WBD III.1.3:243 'slof' = pantoffel; leren pantoffel; WBD III.1.4:231 'uit zijn slof schieten' = zich kwaad maken; Antw. SLOEF zelfstandig naamwoord m. - pantoffel, slof; fig. goede sul, Fr. bonasse; WNT SLOF (II) l) slappe pantoffel zonder hak; 8) in verschillende toepassingen voor steunsels
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
slof , slof , slóffe , slufke , pantoffel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal