elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smok

smok , smōk , zoen, ook Gron., Oostfr. Westf. smuk; West-Vlaand. smok = een smakkende kus. Het woord is klanknabootsend.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
smok , smok , smüksken , (mannelijk) , kus.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smok , smōk , zoen; smōkken (zelfstandig naamwoord en werkwoord) = zoenen, kussen, ook Drentsch ‒ “– har hij ‒’n Mooie maid; dei smokte hij voak. Dat heb ik zulm zain.” Oostfriesch, Westfaalsch smuk, en: smukken = kus, en: kussen; Overijselsch, West-Vlaamsch smokken = kussen; Friesch smokkeltjes = kusjes; Zuid-Nederlandsch en West-Vlaamsch smok = een smakkende kus. Klanknabootsend en bijvorm van: smak, van: smakken, met de lippen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smok , smok , (mannelijk) , zoen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
smok , smokkien , kusje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
smok , smok , (mannelijk) , Zoen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
smok , smoks , [smoks] , mannelijk , stevige zoen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
smok , smok , zelfstandig naamwoord, mannelijk , smokn , smuksken , kus
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
smok , smok , kus
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
smok , smoek , smok , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze z’n oigen smoek houwe, zich stil, koest houden (om niet te worden opgemerkt). Dit smoek (variant smok) hangt evenals Nederlands smokkelen samen met o.a. Oostfries smukkeln = zich sluipend, stiekem bewegen. Zie het N.E.W. onder smokkelen. Variant smok. Vgl. Boek. onder smoks.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smok , smok , zelfstandig naamwoord de , Smakzoen, zoen. Vgl. Gronings smok, Fries smok.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smok , smok , zelfstandig naamwoord de , Stijve meelkost in melk gekookt (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smok , smok , de , smokken , zoen Toou nou leeiverd, geef mij nog een smokkie (Gas), Wi’j een smok hebben? (Hol), Oes buurjong is zo bleu, hij duurt gien wicht te vraogen, laot staon een smok te geven (Odo) *Een tien met een griffel, een smok van de juffrouw en een bank veuroet goedkeurende uitdrukking (Eri); Elk zien meug, zee de boer, en gaf het zwien een smok (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smok , smok , smokse , kus
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
smok , smok , zoen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
smok , smok , zelfstandig naamwoord , de; zoen, vaak: stevige kus
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smok , smoek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. aangenaam van omgeving (vaak ook: en aangenaam warm), knus 2. nogal warm en drukkend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smok , smok ,  smokkel , (klap)zoen, kus.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal