elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snar

snar , snir , snar , te Niezijl, enz. snar = vinnig, scherp, bits, van een meisje of eene vrouw gezegd. Oostfriesch snir, snîr, snirr, ook, ofschoon zelden: snar, snarr = snel, scherp, bits, aanmatigend, enz; snir in ’t antwôrden; snir fan wôrd un wesen; Nedersaksisch snar, snarre = bits, vinnig, hevig, fel; Noorweegsch, Zweedsch, Deensch, IJslandsch snar; Oud-Noorsch snarr = snel, gezwind; scherp, doordringend; Angel-Saksisch snear = snel, vlug, vaardig, spoedig; sterk, krachtig. Van het Oud-Hoogduitsch snërhan = binden, knoopen, slingeren, winden, wikkelen, ineendraaien. (v. Dale: snar = bits, vinnig, enz.)
snar = vlug, levendig. Zweedsch snart = spoedig, gezwind.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snar , snar* , (bldz. 387 en 564), ook = nauwsluitend, eng.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
snar , snarrĕ , ondeugend kind.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
snar , snarre , stuurse vrouw
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
snar , snarn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bitse man
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snar , snarre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , snarn , snarrken , bitse vrouw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snar , snärre , kattig, bijdehand meisje.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
snar , snärre , snore , kattig meisje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
snar , snar , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. scherp, ranzig (Zuidwest-Drents zandgebied) Dat aolde spek is wat snar (Sle) 2. bits, vinnig (Zuidwest-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Zie kan wal snar oetvallen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snar , snarre , snare, snar, snerre , de , snarren , Ook snare (Veenkoloniën), snar (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), snerre (N:Zuidwest-Drenthe) = persoon met harde, schelle stem, vinnig Wat is dat een snare, aingaol de bek veuraan (Vtm), Een snarre is een bits, vinnig, eigenwies en kribbig persoon (Geb), ...hef een scharpe, harde stem (Sle), z. ook snibbe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snar , snârre , vrouw met scherpe tong.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal