elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snik

snik , snik , de hik; Fr. hoquel. Bij de Holl. sanglot, de nokking onder het weenen. Nikken, nakken, nokken, met een slag voorover knikken, s-nikken, s-nakken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
snik , snik , (bijvoeglijk naamwoord) , snugger, wakker, vlug. Men gebruikt het woord snik hier meestal ontkennend, niet snik zijn, hij is niet regt snik, niet helder in den bol, het schemert hem, hij is niet goed bij zijn verstand.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
snik , snik , trekschuit; snik hen Grunningen = trekschuit die op de stad Groningen vaart. Gron. snik, snikke. schuit, trekschuit, ook schoet, schoete, fatsoenlijk: schuut. Te Zoutkamp snik = eene vissersschuit. Friesch snik, snikke, Kil. snicke, schuyte; Neders. snikk, Deensch snekke = een klein schip. Algemeen Germaansch schnecke, in het Noorsch snekja luidende, AS. snaec, MHD. snicke, OHD. snaga = met een bek voorzien vaartuig, schuit van een eigenaardigen, langwerpigen bouw met een langen snavel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
snik , [hik] , snük , (mannelijk) , hik.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
snik , snok , (mannelijk) , hik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
snik , snik , snikke , schuit, jaagschuit; te Zoutkamp: snik = visschersschuit; uursnik = schuit die bepaalde tijden afvaart en aankomt, de eigenlijke volksschuit; snikjōng = joagertje = snikvent = de jongen die op het paard zit dat de schuit voorttrekt, bij v. Dale: schuitjager; snikhoorn = soort van hoorn waarop die jongen blaast, bv. het teeken van aankomst en vertrek geeft; snikpeerd = paard dat de schuit trekt; snikkevoader (snikkevaarder) = schuitevoerder (dat niet bij v. Dale in die beteekenis voorkomt); snikstal (Ommelanden) = het veerhuis waar het paard kan verzorgd worden en de mannen der schuit een onderkomen vinden, in het Oldampt snikhoes; snikvracht = het vrachtgeld dat voor personen en goederen betaald wordt; snikdijp = elke vaart waarlangs schuiten varen, in ’t bijzonder het Winschoter- of: Schuitendiep (Schoetendijp); snikwoagen = de wagen, die bij dicht water de schuit vervangt, voorzoover het vrachtgoederen betreft; sniklien, snikliene = schuitlijn; snikproatjes = schuitpraatjes; snikveer = vereeniging van schuitevoerders die gezamenlijk in den dienst voorzien, bv. van Winschoten op Groningen, van Groningen op Uithuizen en Ulrum, enz., dus eene soort van beurtveer. Zegswijs: altied mit de leste snik komen = altijd achteraan komen, steeds de laatste zijn. Dezen troosten zich met: de leste snik mout ook vracht hebben. Rijm.: Ōlderōm (Ulrum), Bōlderōm, Doar stait ’n spitse toren; As de snik van wal ofgait, Den blast de jōng op ’t horen, ook: Olderōm, pebōlderōm, Doar stait, enz.; ’s Oavends as de snik ankomt, Den blast, enz. ‒ Wat snik = vischschuit, aangaat nog het volgende: “Te Zoutkamp heeft men vischsnikken en vischschuiten. De eerste zijn grooter en kunnen ook beter zee bouwen, maar vereischen één man meer aan boord. In de laatste jaren (vóór 1882) zijn de snikken meest alle door schuiten vervangen; nu echter de wantvisscherij meer in zwang komt, zullen misschien ook de snikken meer in de vaart komen, omdat daarvoor toch een man meer noodig is dan met de nettenvisscherij.” (Johs. Onnekes.) ‒ Drentsch snik, Friesch snik, snikke; Kil. snicke, schuyte; Weil. snik, een klein vaartuig; (v. Dale: snik = trekschuit, in Friesland); Oostfriesch snikke, snik (schuit); Nederduitsch, Middel-Nederduitsch snicke, Oud-Noorsch, Noorweegsch snekkje, Deensch snekke, snaekke, Oud-Hoogduitsch snaegâ, snagâ, Middelduitsch snacke = schip met spitsen bek. Weinhold zegt er van: Algemeen Germ.: schnecke, in het Noorsch snekja luidende, Angel-Saksisch snaec, Middel-Hoogduitsch snicke, Oud-Hoogduitsch snaga = met een’ bek voorzien vaartuig, schuit van een eigenaardigen, langwerpigen bouw met een langen snavel. (Altn. Leben bl. 137). Ten Doornk. wil dat het eerder van het Oud-Hoogduitsch snakhan dan van het Angel-Saksisch snîcan (zie: snigge) komt, waarvan het Oud-Fransche esneque, esneche = scherp schip, schip met een’ snavel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snik , snik , (vrouwelijk) , Hik. Een middeltje tegen de hik is zonder adem te halen driemaal achter elkander zeggen: Ik heb de snik, Ik heb ze dik, Ik heb ze nu, Ik géve zʼ an u.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
snik , snikke , (mannelijk) , Soort van losse, achteroverslaande bijl om koek te hakken. Zie mijn feuilleton in de Dev. Cour. van 7 Sept. ʼ94.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
snik , snik , (zelfstandig naamwoord) , bij molenmakers. Zeker soort van beitel, met brede eg (snede), en een handvat waarin het ijzer rechthoekig bevestigd is. De snik wordt gehanteerd op de manier van een bijl en dient vooral om molenroeden of andere zware stukken hout af te steken, wat met de bijl te ruw zou gaan. Het werktuig heet daarom roedsnik. – Het woord is ook elders bekend (HALMA, WEILAND).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snik , snik* , bij v. Dale ook “jager” = geleider van een trekschuitpaard.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
snik , snuk , hik.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
snik , [hik] , snik , (vrouwelijk) , Hik. Een middeltje tegen de hik is zonder adem te halen driemaal achter elkander zeggen: ʼk Heb de snik (hik), ʼk heb ze dik, ʼk heb ze nou, ʼk geef zʼ aan jou.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
snik , snikke , (mannelijk) , Soort van losse, achteroverslaande bijl om koek te hakken. Zie mijn feuilleton in de Dev. Cour. van 7 Sept. 1894.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
snik , snuk , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hik
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
snik , snik , snikke , ouderwets binnenschip
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
snik , snik , (ouderwets), afgeschoten slaapplaats tegen de stal
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
snik , snok , 1. hik. 2. ’t is hom mor een snok = een handomdraai
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
snik , snik , zelfstandig naamwoord de , 1. Soort sikkel met smal snij-ijzer, o.a. gebruikt bij het rietsnijden. 2. Zie snip. Vgl. het N.E.W. onder snik 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snik , snik , bijvoeglijk naamwoord , in niet goed snik niet goed wijs Die man is niet goed snik, het mekeert hum in de kop (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snik , snik , snikke , de , snikken , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook snikke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe) = snik, beurtschip Hij vaorde met de snik naor stad (Row), ...naor Nei Amsterdam (Klv), Mien breur is jaoren sjouwerman ewest op de snikke (Eli), (fig.) Hie komp aaid met de lèeste snik op het laatste moment (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snik , snik , de , snikken , (Zuidoost-Drents zandgebied) = klein beetje of klein stukje Dat snikkien heide mag niet anmaakt worden (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snik , snik , de , (Zuidwest-Drenthe, noord, dc) = brede beitel Een snik is een briede beitel van wel 60 cm laank mit het haandvat der dwars op veur gaeten in de gebienten (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snik , snik , de , 1. snik Hij hef het tot zien leste snik volholden dat e dat nich daon har (Bov) 2. hik (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hij hef de snik (And), z. ook snuk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snik , snuk , snok, snök, snokop, snik , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook snok (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), snök (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), snokop (Zuidoost-Drents veengebied), snik (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = hik Of heb ie de snok? Drink mar ies wat (Nije), Het is niet gevaorlijk, mar bar lastig, aj de snuk hebt (Oos), Aj de snik hebben moej een koppie sukker pakken (Wtv), ...de adem inholden (Dwij) *Ik en snuk gungen over het meer / Snuk bleef oet en ik kwam weer (Zey) of Ik en snuk gungen over de brug / Ik kwam weer en snuk bleef terug rijmpje. Als je dit een aantal keren zei, zonder adem te halen, zou de hik weg zijn (Odo); een remedie is ook: Zeuven slokkies waoter slikken zunder hikken (Twe), of Heur wat vertellen, wat ze niet graeg heuren wolden, zodat ze kwaod worden en dan gung de hik vaeke over (Vle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snik , snik , snik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snik , snikke , (Kamperveen) scharnierend mes om koek kapot te slaan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snik , snik , hik. Deur schielek èètn kan ’n mense de snik kriegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
snik , snikke , zelfstandig naamwoord , de; bep. vaartuig: snik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snik , snik , hik.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal