elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snoepen

snoepen , sneupĕn , snoepen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
snoepen , snöupen , snät, esnätten , snoepen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
snoepen , snupen , snupen, esnuupt , snoepen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
snoepen , snupen , sneupen, snuipen, snoepen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook sneupen (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), snuipen (Kop van Drenthe), snoepen (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = snoepen Hol toch ies op te snupen, het is veul beter daj een appel eet (Hoh), (fig.) Dende hef ok snuupt heeft een buitenechtelijk kind (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snoepen , snoepen , snoepen. Ook: snaaien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
snoepen , snupen , sneupen, snoepen , werkwoord , snoepen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snoepen , snupen , (werkwoord) , snupen, esnuupt , snoepen. Zie ook: slikkeren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal