elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spaander

spaander , spaondĕr , spaander.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
spaander , spaanders , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze Dat benne spaanders buiten moin mand, dat gaat mij niet aan, daar bemoei ik mij niet mee.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
spaander , spónders , twee houten bestanddelen van de haam.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spaander , spaonders , spaanders.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spaander , spaonder , spaander , zelfstandig naamwoord , de; spaander, klein snippertje hout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spaander , spônder , spônders , spaan, plakjes hout
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
spaander , spaonder , (zelfstandig naamwoord) , spaander. Zie ook: spaone. Der bleef gien spaonder eel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spaander , sparrels , centen; fiches (bij het kaarten)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
spaander , spònder , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen – spaander
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal