elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spleet

spleet , spleuten , in drieën gespleten braambeziënranken (kribbels) die tot het maken van bijenkorven worden gebruikt. Ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spleet , splite , (mannelijk) , [weinig gebruikelijk] spleet.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
spleet , splite , (mannelijk) , spleet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spleet , spleuten , pinnen van in drieën gespleten braambeziënranken die tot het maken van bijenkorven worden gebruikt; ook Drentsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spleet , splijt , (zelfstandig naamwoord onzijdig); zie: woapens.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spleet , spleutĕn , houten deel van de vlasstengel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
spleet , spluete , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , spluetn , afgespleten reep
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spleet , spleet , vrouwelijk geslachtsdeel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spleet , splete , spleet.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spleet , spleet , splete , de , spleten , Ook splete (Zuidwest-Drenthe) = spleet Wat kompt er grote spleten in de plaanken van de schure (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spleet , spleut , spluut , de , spleuten , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook spluut (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. gespleten twijg De spleuten van liesterkrallen gebruukten wij eerder veur mandenvlechten (Klv), ...veur het maken van iemshuven (Ndo), An de spleut mag gien pit meer zitten (Eex), Om haaidebounders zatten ok spleuten (Row) 2. houten deel van de vlasstengel (po) Het lint wol niet löslaoten van de spleuten draden in de vlasstengel wilden niet losgaan van het houtige deel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spleet , splete , spleet
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spleet , splete , spleet.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spleet , splitje , spleetje , Zèt de déúr óp 'n splitje, dan hoef ik nie óp és de kénder daolek komme. Zet de deur op 'n kier, dan hoef ik niet op te staan als de kinderen dadelijk komen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
spleet , spleute , zelfstandig naamwoord , de; lang, gespleten stuk stengel van de braamstruik, gebruikt om het ineengedraaide stro of evt. bentgras bijeen te houden waarvan een bijenkorf of -kast wordt opgebouwd, soms ook gemaakt van rotan of pitret; ook: die (niet gespleten) stengel zelf, bedoeld om op de aangegeven wijze te gebruiken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spleet , splete , (zelfstandig naamwoord) , spleet, gleuf. Zie ook: gleuve.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spleet , spleet , zelfstandig naamwoord , splitje , spleet; Audioregistratie 1978 - Dan môogde nie tösblèève! Ge môogt, asser en koej kallefde bè ons, hè, dan môoge wij hillemòl nie bè zèèn. Mèn bruur èn ikke laage dur dè klèèn splitje onder die staldeur dur te loere, wij wiese wèl wètter gònde was!” (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nòr de splêet van Broekhoove moete (JM'50) - moeten betalen (naar de broekzak moeten, waar immers de beurs zit); Henk van Rijen –  splêet (vkw. splitje) - spleet; WBD III.1.1:119 'split' = boezem; WBD III.1.1. lemma  aarsspleet – spleet, Tilburg; splitje - verkleinwoord; spleetje; Cees Robben - de heemelpoort stond op en splitje; verkleinwoord van 'spleet', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal