elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stalpaal

stalpaal , stalpaal , Zie repels.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
stalpaal , stalpaolĕn , palen waar de koeien aan staan.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stalpaal , stalpalen , recht vormloze benen
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
stalpaal , stalpaol , stalriep, stalreppel, stalvassel, stalast , de , Ook stalriep (Zuidoost-Drents zandgebied), stalreppel (Midden-Drenthe), stalvassel (Zuidoost-Drenthe), stalast (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. paal, waaraan de koeien staan, stalvast Stalpaolen bint van holt en almaol met kram en stalpaolpeg an de rei bevestigd (Taa), De stalpaole mus bijkapt worden (Eri), Die aolde koe is zo eigenwies, ij kunt hum haost niet met de kop an de aandere kaante van de stalreppel kriegen (Ktv) 2. benaming voor een bewoner van Orvelte, Zwiggelte, Hijken, Mantinge, Garminge (ndva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal