elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: standaard

standaard , standoar , (klemtoon op: doar), in de uitdrukking: bie standoar blieven (= vout bie koel hol’n) = zich bij zijn bedrijf of beroep bepalen, zich er geheel aan wijden. Ook: in een gesprek, enz. bij het onderwerp blijven, niet uitweiden of geene zijsprongen maken. – Staat voor: standaard, standerd = banier, vaandel, Nedersaksisch standare, Angel-Saksisch standard, Fransch étendard, Italiaansch stendardo, Spaansch estandarte, Middeleeuwsch Latijn standardum.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
standaard , stendĕrt , ond. molen, 35.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
standaard , standard , standerd , 1) standaard, voetstuk van een molen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
standaard , stander , staander , zelfstandig naamwoord , de 1. fietsstandaard 2. as van een standaardmolen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
standaard , standerd , 1. standaard; 2. voetstuk van een molen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
standaard , stäönder , (mannelijk) , stäönders , stäönderke , standaard , De fiets oppe stäönder zètte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal