elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stekeldraad

stekeldraad , stikkĕldraod , prikkeldraad.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stekeldraad , stiekeldroad , prikkeldraad
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stekeldraad , stiekeldraod , het , prikkeldraad Ik heb um det hoekien laand stikkeldraod edaone (Hgv), Het peerd het in het stiekeldraod zeten (Row), Ik heb mien boks opscheurd aan het stiekeldraod (Zui), z. ook prikkeldraod
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stekeldraad , stiekeldraod , zelfstandig naamwoord , de (als verz. et); prikkeldraad
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal