elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stobbe

stobbe , stōbbe , stubbe , worteleind van een boom dat nog in den grond steekt en waaruit nieuwe loten opschieten, bv. van elzen. ODrentsch stubben of stammen. Ook Geld. Neders. Holst. stubbe, Eng. stub; Zw. stubbe = stronk, en = stoppel. Gron. strōbbe = stam van een boom; Oostfr. strubbe = stomp, overschot van iets, bv. van een boom. – Order op het schouwen der waterlossingen in Drente (1803), art 7: afgehakte struiken en stōbben.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stobbe , strōbben , strubben , struikgewas op de heidevelden, veelal opslag van eiken, overblijfselen der oude bosschen. Order op het schouwen der Waterlossingen in Drente (1803), art. 6: Houtgewas, strubben en andere beletselen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stobbe , stobbe , (vrouwelijk) , boomtronk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stobbe , stōb , stōbbe , eene turfmaat = 60 ton of dubbele hectoliter baggerturf. – Ook: vier opstaande streepjes naast elkander met één er schuin door om het tellen gemakkelijk te maken, bv. bij den uitslag van verkiezingen als de namen worden afgelezen. Eigenlijk: een afgebroken, afgestompt iets; zie: stoef 1. In het laatste geval heeft het West-Vlaamsch vaan, en telt men: een, twee, drei, vier en een aan de vaan. Zie ook: vōl 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stobbe , strōbbe , stam, worteleind van een’ boom. Drentsch strobben, strubben = struikgewas op de heidevelden, veelal opslag van eiken; overblijfselen der oude bosschen; (Houtgewas, Strubben en andere beletselen, (1803)); Oud-Drentsch stobbe; Kil. strubbe, strobbe = struik, loot van een boom, heester, heestergewas, en: stobbe (Fris.), strobbe, stronck; Zuid-Nederlandsch strobbe = struik; tronk; West-Vlaamsch strobbel, strobbe, strubbel, strubbe = stomp die van eenen afgebroken of afgekapten tak of boompje, boven den grond uitsteekt, Fransch chicot. (De Bo). Oostfriesch strubbe, strubbʼ, stubbe, stubʼ = stam of worteleind van een’ boom, stomp, rest van iets, bv. van eenʼ boom; Nederduitsch, Middel-Nederduitsch stubbe, Noordfriesch stob, Oud-Engelsch stubbe, stob, Engelsch stub, Angel-Saksisch stybb, stub, Oud-Noorsch stubbi, Noorweegsch stubbe, Zweedsch stubb. Vgl. strampel, en: stiep; strōbbe (Auwen) = een klein varken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stobbe , stobbe , (mannelijk) , Wortelstruik, voet van ʼn boom of van akkermaalshout.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
stobbe , stobbĕ , tronk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stobbe , stobbe , (mannelijk) , Wortelstruik, voet van een boom of van akkermaalshout.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
stobbe , stobben , [stom̥] , mannelijk , boomstronk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stobbe , stobbe , De wortel van den boom, welke in den grond gebleven is na dat de boom gekapt is.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
stobbe , stobm , zelfstandig naamwoord, mannelijk , stobn , stubken , stobbe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stobbe , stôbbe , 1. fossiele boomwortel 2. bepaalde hoeveelheid bagger
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stobbe , stoebe , blaar vánne perdsbloom.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
stobbe , stoppe , 1. stronk; 2. stop.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stobbe , stobbe , stob , de , stobbes, stobben , Ook stob (Kop van Drenthe) = op een hoop gebrachte baggerturven, bepaalde hoeveelheid turf De pastoor kreeg eerder aaid een paar stobben bagger (Bov), Een stobbe was een bult mit een deursnee van ong. 2½ m en een inhold van 9600 baggelties. Een dreivördel stobbe was ong. 7200 (Bco). Een stobbe was 10.000 (Bor), Een stob baggel is 9000, ain meter braid en de haile streek lang (Eel), z. ook viem en drievördel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stobbe , strobbe , strubbe, strubbel , de , strobbes, strobben , (Zuid-Drenthe). Ook strubbe (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, wp in bet. 2.), strubbel (Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 4.) = 1. knoestig stuk hout (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Het bossien is der vort, der bint allen nog een paar strubben staonbleven (Oos) 2. (mv.) struikgewas op de heidevelden, veelal opslag van eiken (wp) 3. klein persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Een kleine strobbe (Uff) 4. magere koe (Nije), z. ook strubben
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stobbe , stobbe , stob, stubbe , de , stobbes, stobben , Ook stob (Midden-Drenthe), stubbe (wp) = 1. wortelstronk In de oorlog gingen mien moeder en ik in het bos stobben rooien (Ass), Van een ieken stobbe kuj drei keer warm worden: aj hum der uut haalt, aj hum kapot slaot en aj hum opstaokt (Ruw), In een ol stobbe zaten gaffeltaanden (Eel), De stobbe hebben ze in de grond zitten laoten (Dal) 2. houtblok Ik zal die stobbe even kleuven (Gas), Een stobbe is een dikke knoest holt (Een) 3. stuk kienhout (veend.) Hij har nog een heile bult stobben achter het hoes liggen (Bco) 4. dik dier (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Dat peerd, dat is een dikke stobbe (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stobbe , stobbe , stuk van een boomstam, restant van een afgezaagde boom dat in de grond blijft zitten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stobbe , stobbe , onderste deel van een boomstam met de wortels. Met kâsaomd had menegiene in vrogger tied ’n stobbe in ’t vuur.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stobbe , stobbe , zelfstandig naamwoord , de 1. wortelstronk, boomstronk 2. (verkl.) armetierig beest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stobbe , stobbe , (zelfstandig naamwoord) , stobbe, boomstronk. Zie ook: boomstronke, stompe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stobbe , stob , stobbe , 1. boomstronk; 2. kleine en dikke man of kleine vrouw.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stobbe , stoeb , stoebe , paardenbloem
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal