elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stoof

stoof , stoven , In de Ordonnantie op de weeskamer der stad en lande van Breda, art. 23, wordt voorzien in het aanhalen van minderjarige en toezigt behoevende personen in stoven en bordelen. Eene stove is bij KILIAAN hypocaustum, laconicum vaporium, sudatorium, tepidarium, caletarium, cella caldaria, balneum, en in sommige uitgaven verklaard door bad-stove, in die van den Heer VAN HASSELT door zweetbad. Bij WACHTER is Stube ook hypocaustum. Dat in de voornaamste steden van ons land badstoven gevonden worden, zie bij den Heer VAN DE WALL, Privil. van Dordrecht, bl. 369, alwaar men mede zien kan, dat de hoeren zich in dezelve mogten ophouden, en dat daarom stoven en bordeelen, gelijk op deze plaats, veelal zamengevoegd worden. Van deze stoven heeft de stoofstraat te Dordrecht haren naam, dewijl dezelve niet, dan in de buitenstad, tot welke de stoofstraat behoorde, gedoogd werden.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
stoof , staove , (vrouwelijk) , stoof.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
stoof , stòve , (vrouwelijk) , stòven , stoof.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stoof , stoof , stoove , in: boven stoof zitten = rustig zitten met eene warme stoof onder de voeten; mouder ken ʼt nijt wachten dat ze boven stoof zit, zooveel als: moeder is altijd op de been en in de weer voor de huishouding, die gunt zich geen rust; zij krigt gijn vout an stoof véúr soavens zes uur, den komt ze eerst te zitten.
kopêrn stoof; stoof, waarvan het benedenvlak aan weerszijden verlengd en met eene rood koperen plaat bedekt is; hierop worden de voeten gezet. In deze provincie worden ze bijna uitsluitend in rijtuigen gebruikt. Vgl. v. Dale art. plaatstoof.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stoof , stoofkes , zie: stooven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stoof , stooven , stoofkes; derde figuur in het bikkelspel. Zie: stoanders.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stoof , stoof , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. en vgl. hangelstoof. – Ook in de naam van stukken land te Assendelft, welke naam men verklaart uit de langwerpig-vierkante vorm dezer landerijen. || Achter Jan Louwen uyt opte braeck: het stoeffgen, Polderl. Assend. I f° 50 r° (a° 1600). Die halve stoeff, ald., f° 56 r°. Die stoeff in Roelenweer, ald., f° 153 r° (a° 1600). Willem Janses stoofge …; Anna Gerrits, de stoof aen den hoogendijck; Mary Gerrits, de stoof hier noortaen, Maatb. Assend. (a° 1635). De stoof van Floor in Roelenweer; de stove (meerv.) aan de Braak, Hs. (a° 1754), archief v. Assendelft.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoof , stoof , term bij het koten; zie koten 1. || Het (kindt) raest en holt, Het hoept en tolt, En ’t gooyt de koot, Ist raeck of stoof dan ist gheen noodt, Saender Bloeme-stralen 177.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoof , stoovĕ , stoof.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stoof , stuaave , vrouwelijk , stoof
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stoof , stòowe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stòown , stùefken , stoof
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stoof , stoaf , m , stoof.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stoof , stoven , (ouderwets), het ondereind der boomstammen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stoof , stouf , zelfstandig naamwoord de , Stoof. Het woord is een afleiding van stoven in de betekenis van verwarmen. Zie het N.E.W. onder stoof.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stoof , stouf , zelfstandig naamwoord de , Stobbe, boomstronk. Zie het N.E.W. onder stoof-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stoof , stoaf , kachel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
stoof , stoof , lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot; vierkante kookkachel-met-oven die in de plaats kwam van de ouderwetse open haard.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
stoof , stoave , stoof.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stoof , stoof , stove, staove , de , stoven , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook stove (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), staove (Zuidwest-Drenthe, zuid) = stoof Het is slecht wèer. Wij zult maor in de koetse naor de karke gaon en de staove mitnemen (Hgv), Daor is in de kachel mooi glad vuur, good veur een kooltie in de stove (Bei), Dat kan ik net niet ofrekken, daor mot de stoof bij (Exl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoof , stoef , weiland met boomstronken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
stoof , stove , stoof
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stoof , staove , steufien , stoof.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stoof , stove , zelfstandig naamwoord , de 1. stoof (als voetsteun, ter voetverwarming) 2. het zesde (enkele) vak (waar men met één been in moest staan) van het parcours bij parkhinken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stoof , staove , (zelfstandig naamwoord) , stoof.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stoof , [kachel] , staof , (vrouwelijk) , staove , stäöfke , kachel, fornuis , Koeale hoeale óm de staof te stoeake. Stoeak de staof ins op!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal