elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stork

stork , stork , Ooievaar, Duitsch Storch, Overijsselsch (h) eileuver, waar de kinders dit rijmpje zingen: ‘Eileuver / Klokkenkleuver / Duitendief! / Hy ’ef sien vaâr of moêr niet lief.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
stork , stork , ooievaar. Gron. (Westerw.) störk, Oostfr. störke, störk, stürke, stürk. Kil. storck, Germ. Sax. Fris. Sic. oyevaar MNederd. AS. Oud Engl. Eng. stork, storck, store, ONoorsch storkr; OHD. storah, storach, storich, stork, storch, storhc, MHD. storch, stork, storke, HD. Storch, waarvan het Russ. sterchŭ, Lith. starkus, Serv. strk. Zal komen van: stor = star = stijf, en te vergelijken met het ONoorsch en IJsl. storka = vast worden, verstijven, bevriezen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stork , stòrk , (mannelijk) , ooievaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
stork , stòrk , (mannelijk) , ooievaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stork , störk , (Westerwolde) = ooievaar; Drentsch stork, Kil. storck (Germ. Sax. Fris.Ang. storke) = oyevaer; Middel-Nederduitsch, Middelvlaamsch, Angel-Saksisch, Oud-Engelsch, Engelsch stork, storc, Oud-Noorsch storkr, Hoogduitsch Storch, Oostfriesch störke, störk, stôrk, stürke, stürk. Van: stor = star (stijf).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stork , stork , ooievaar.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stork , stuark , mannelijk , stuärke , ooievaar
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stork , stork , Ojevaar. Twenthsch. Ook bij Kiliaan.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
stork , stork , zelfstandig naamwoord, mannelijk , stùrke , stùrksken , ooievaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stork , stôrk , ooievaar
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stork , störk , 1. groot, fors persoon. 2. ooievaar.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
stork , störk , stork, sturk, stoork , de , störken , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook stork (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), sturk (dva, bh), stoork (Nsch) = 1. ooievaar De störken bint er weer (Scho) 2. sufferd (Zuidoost-Drents veengebied) Een stork en een gaap in de vore staot niet wied van mekaar of (Bov) *Aj störken neugt, meuj kikkers hebben als er bezoek komt, moet je wat in huis hebben (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stork , sturk , sturke, störk, stork , zelfstandig naamwoord , de 1. ooievaar 2. iemand met lange benen, grote kerel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stork , stork , ooievaar (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal