elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strampel

strampel , strampel , iets dat den vorm eener vork heeft, bv. een boomtak, de takken eener beek of van een stroom; ook Overijs. In Gron. strampel, trampel = gedeelte van een afgezaagden boomtak of boomtronk; strampeld wezen, zooveel als: waar de romp ophoudt en de beenen beginnen. Vergel. Neders. Holst. trampelen = trappen; Eng. trample, Deensch trampe, Zw. IJsl. trampa, Fransch tramper, verwant met: trap. De s in strampel is prothetisch.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
strampel , strampel , trampel , gedeelte van eenʼ afgezaagden boomtak, het stuk dat aan den boom is blijven zitten; ook voor: stam van een afgezaagden boom, tronk. Drentsch, Overijselsch strampel, iets dat den vorm eener hooivork heeft, bv. een boomtak, de takken eener beek of van een stroom; strampeld wezen, van menschen gezegd, zooveel als: waar de romp ophoudt en de beenen beginnen. Vgl. Oostfriesch, Nedersaksisch, Hoogduitsch strampeln, gemeenzaam, overigens: strampfen, trampeln = trappen (frequentatief van: trampen = met voeten treden), Engelsch trample, Deensch trampe, Zweedsch IJslandsch trampa, Fransch tamper (eigenlijk: stutten met een gaffelvormigen stok, tampe), verwant met: trap (stam van: trappen). – strampel dan zooveel als: trampel, met voorgevoegde s, iets waarop men den voet kan zetten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
strampel , strampel* , Hoogduitsch strampfen (gemeenzaam strampeln), trampen en trampeln = trappelen, waarvan Trampelthier = dromedaris; het Fransch tamper beteekent eigenlijk: stutten met een gaffelvormigen stok (“tampe.”)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
strampel , straampĕl , gaffel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
strampel , straompel , mannelijk , gaffelvormige tak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
strampel , strampel , zware tak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
strampel , strampel , straampel, straamper , de , (Zuidoost-Drenthe). Ook straampel (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe), straamper (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. vertakking, gevorkte paal of tak, gaffel De pinpaol, waor het hek op drèeit en de strampel, waor de hekboom op rust (Pdh), Wij hebt die koe een strampel andaon; het is een oetbreker (Sle), Ziej het nust niet? Het zit daor in de straampel, een endtien baoven oen heufd (Koe), Ik heb net een straampel esneden veur mien hoepel (Zdw), Mit een straampel, die in het ronde dreeid worde, trokken ze de draoden an bij het draadtrekken (Pes), Een straampel um stro op te schudden gaffel (Wsv) 2. uitgegroeide plant Gooi dei aolde strampel van een plant mar vort (Bov), Wat bin det aolde straampels van bomen (Pes) 3. roer, vroeger: brijstrampel, tak, veelal van hulst, bij de landlieden gebruikt om den brij te roeren (wp), nu: voorwerp om te roeren, meestal verkl. Wat een mooi straampeltien stokje met 3 uiteinden van ong. 8 cm, dat in vroeger tijden gebruikt werd om pap te roeren (Die), Geef mai nog even een straampelie lepeltje (Ros), Ik heb gien straampelie kregen; zo kan ik de sukker niet deur de thee straampeln lepeltje (Eex) 4. lang been (Zuidwest-Drenthe, zuid) Toe gao ies uut de weg mit die lange straampels van oe (Mep) 5. vertakkend gedeelte van tweepaardsleidsel (Zuidwest-Drenthe) 6. oud mens (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) Twee strampelties, die altied al aold west wassen (se)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strampel , straampel , zelfstandig naamwoord , de 1. strampel, stomp van een oude boom, stronk, halfdode struik, vaak gezegd van een oude wilg 2. gaffelvormig gegroeid stuk boom 3. oude persoon, vaak: die strammig is, die slecht ter been is geworden, ook algemener: iemand die slecht loopt 4. lang been, bijv. tegen iemand die languit zit: Hool die lange straampels wat bi’j je 5. hetz. als bri’jstraampel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strampel , straampel , zelfstandig naamwoord , de; bijgesneden eiken of wilgen gaffel om brij, pap, veevoer mee te roeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal