elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strikzijde

strikzijde , strikzied , Hij zit op strikzied, (hij is onklaor), hij is onwel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
strikzijde , strikziede , strikzied, striekziede , zelfstandig naamwoord , de; in verb.: op strikziede plat, languit (doordat men ziek is, slaapt), op strikziede liggen lekker liggen slapen, ook: ziek zijn (en daarbij het bed houden), ook: dood liggen, op strikzied wezen niet meer kunnen betalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal