elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strooiing

strooiing , streiîng , (Oosterhess.) = stroo, tot strooisel bestemd.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
strooiing , strijingĕ , strooiïng onder de koeien.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
strooiing , streeiige , [strēĭgә] , vrouwelijk , strooisel, stro of ruigte voor de stal.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
strooiing , streejege , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stalstrooisel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
strooiing , strèeiing , de , strèeiings , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Var. als bij strèeien = 1. strooisel Wij moet nog strèeiing halen veur de mesbult bijv. aardappelloof, stro, ruumèer etc. (Sle), Wij hebt strèeiing under de zwienen, zoas stro en ruumèer (Zwe), Dou nog maor even wat streiing in het mothok (Vri), Bentegras en heide deur mekaar was strèeiing veur de schaopen (Bei), z. ook strèeisel 2. verstrooiing Het jongvolk hef strèeiing neudig (N)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal