elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: studie

studie , studie , liefhebberij. Kerel, wat hef hij ĕn studie an haarkĕn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
studie , studie , zelfstandig naamwoord de , in de zegsw. op studie weze, op het seminarie zijn. | Hai het ’n toid op studie weest, maar hai is toch gien priester worren. – Studie make, intens belangstelling tonen (voor een meisje). | Hai maakt puur studie van Annie, maar ze moet ’m niet. – Deer loupt z’n hêle studie op, dat neemt hem helemaal in beslag, daar is al zijn belangstelling op gericht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
studie , studie , de , studies , 1. studie Hij kun de studie nich volholden (Nsch), Hij is an de studie (Pes), Hij meuk studie van heur bekeek haar aandachtig (Ker) 2. toeleg, plan (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Dat het juust zien studie west om het zowied te kriegen (Rod), Wel zien studie is dat? (Hoh), Was het joouw studie, die boom um te zaogen? (Eex) 3. aandacht (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Hij stund er met studie naor te kieken (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal