elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stukje

stukje , stōktje , stukje; da’s ’n mooi stōktje = dat is een aardig verhaaltje, gedichtje, zangstukje, mopje; ie mouten ook ijs ’n stōktje doun = gij moest ook eens iets voordragen, zingen, enz. Zie ook: stik 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stukje , stukkien , 1). plak stoete; 2). opzetsel op een schort, V, 6; 3). stukkien achterleggĕn, spel, VI, 7.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stukje , stukske béj bietje , allengs, stukje bij beetje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stukje , stukske , stukje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal