elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stuw

stuw , stouw , staauw , eene drift. , Er komt een stouw ossen, varkens enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
stuw , stouw , afdamming in een water. Een dijk te Meppel wordt eigenaardig aldus genoemd. Overigens zegt men voor een dijkje: stouwkade. Zie: Order op de Schouw van Wegen, enz. in Drente (1803) art. 19, 20, 23.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stuw , stüw , (vrouwelijk) , stuw, waterkering.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stuw , stouwĕ , waterkeering. De Börkenstouw, de Stouwdiek.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
Stuw , Stäue , de Stäue: stuwe, waterleiding, die de westelijke grens vormt van Vriezenveen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stuw , stouwe , stuw.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stuw , stouw , stouwe , de , (Zuidwest-Drenthe). Ook stouwe = 1. stuw Vroeger zaag ie nog wel ies een schippersjaeger op de stouwe (Wap), Daor bij die stouwe zit vake een paar vissers (Koe) 2. dijk Die stouwe hef nogal een hiele glooiing (Hav), Der mut wat sintels op de stouw ebracht worden (Noo), z. ook stuw
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stuw , stuw , stuwe, stouw, stouwe , de , stuwen , Ook stuwe (Zuidwest-Drenthe, zuid) = stuw, waterkering Het water is op winterpeil; de stuw is vlak (Klv), De iesschaolen ligt as een barg veur de stuwe, ...stouwe (Ruw), z. ook stouwe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stuw , stouwe , stuw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stuw , staauw , schare , És de koej gemólleke moete worre dan gi hil de staauw óp de stal ôn. Als de koeien gemolken moeten worden dan gaat de hele schare op de stal aan.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
stuw , stouw , zelfstandig naamwoord , stouwe , stouwchie , [Hei] 1. stapel 2. hoeveelheid D’r lag toch een stouw spulle in de schuur 3. stuw
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stuw , stouw , zelfstandig naamwoord , klucht, menigte (Den Bosch en Meierij; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
stuw , staaw , staw , zelfstandig naamwoord , WBD kudde volwassen varkens, ook genoemd 'klocht' of 'hôop'; WBD staw - troep, gezegd van dieren; ook genoemd: 'troep', 'klocht', 'klòcht', 'kudde', hôop' of 'kooj'; WNT STOUW 1) drift of kudde vee; 2) binnenlandsche waterkeering. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOUW zelfstandig naamwoord mannelijk  - drift, kudde hoornvee, verkens, enz. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'staauw' - stouw, zeker aantal (koeien of kinderen die men stouwt); J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Een stouw beesten, voor eene drift beesten. Zie wijders STOUWEN. STOUWEN... in de Zuidelyke Nederlanden zegt men de koeijen staauweren een frequentatievum van STAAUWEN. Z.a. A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Uit de gegevens op blz. 182/183 en kaart 106 blijkt niet dat in Tilburg staaw gangbaar is; wel 'strêûp' en 'klocht'; WBD troep, gezegd van dieren; ook genoemd: 'troep', 'klocht', klòcht', 'kudde', 'hôop' of 'kooj'; WBD staaw - kudde volwassen varkens, ook 'klocht' of 'hoop' genoemd; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) – STOUW (staaw) m - kudde die men kan stouwen, klucht, groot aantal, gezegd van kinderen en gevolg: 'nen hille stouw kènder. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'staauw' - stouw, zeker aantal (koeien of kinderen die men stouwt)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal