elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tang

tang , tange , (vrouwelijk) , tangen , tang.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tang , tangĕ , tang.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tang , tänge , vrouwelijk , tengchien , tang
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tang , tange , zelfstandig naamwoord , tangn , tengsken , tang. Teeng ne tange kù’j neet strien, als ’t er alleen maar om gaat een zo groot mogelijke mond op te zetten, zeg ik niks meer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tang , tang , v , wijf Ouw(e) tang Oud wijf; aûw tang nare (oudere) vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tang , tängegie , tängie , tangetje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tang , tang , tange , de , tangen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook tange (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. tang Hang de tange mor even bie de heerd hen (Vtm), Het liekt wel een tange op een varken (Hgv), ...as een tange op een gaffel het lijkt niet (Bei), ook Dat steet as een tange op een vaarken (Die), Dat slat as een tang op een zwien slaat nergens op (Bui), Wij hebt vandaag wasschup van tang en askenschup gezegd op een wasdag (Oos) 2. ijzeren klem (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze zetten het peerd de tange op de neuze, as ie wild was (Eli) 3. feeks Wat is mij dat mèensk een aol tang (Eex), ...van een wief (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tang , tange , tang. Et is een òlde tange (gezegd van iemand die niet vriendelijk is)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tang , tange , tângchien , tang.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tang , tange , zelfstandig naamwoord , de 1. tang 2. prangijzer 3. helleveeg, feeks; een oolde tange een vervelend oud wijf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tang , tang , uitdrukking , Hij is met gêên tang an te pakke Hij is te vies om aan te pakken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
tang , tèngske , tangetje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tang , tange , (zelfstandig naamwoord) , tänggien , tang.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tang , tâng , tèngske , tang
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
tang , tang , (vrouwelijk) , tange , tengske , 1. tang 2. feeks, pinnige vrouw , Det stuit wie ein tang op ei verke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tang , tang , zelfstandig naamwoord , tèngske , tang; Dirk Boutkan (1996)  - dim: tangeske, tangske, tangetje (blz. 55); WBD III.1.4:111 'tang' = gemene vrouw; tèngske - verkleinwoord van tang tangetje; WBD riettèngske (II:1018) - riettangetje; Henk van Rijen - op et bènkske laag en plenkske èn en tèngske; Dirk Boutkan (1996) - tangeske, tangske, tangetje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
tang , tang , tange , tengske , tang
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal