elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tater

tater , taatĕr , ond. ploeg, V, 53.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tater , tater , zelfstandig naamwoord de , 1. Mond. | Houw je tater nou es. 2. Iemand die schel, snel en onophoudelijk praat. | Wat bè je toch ’n tater! 3. Oplawaai.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tater , tater , taoter, talter , de , (Zuidoost-Drenthe). Ook taoter (Midden-Drenthe), talter (dc:Rui) = 1. soort schurft, huidziekte Taoter was een soort schurft, waj van koeien kregen (Dro), Hij hef taoter an het gezicht (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tater , tater , taoter, taeter , de , taters , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook taoter (Noord-Drenthe), taeter (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. mond Hij hef altied zien tater lös (Zdw), Hol je taoter is een toertie, ik wor der meui van (Eex) 2. klap Ik heb hum een beste tater an de kop geven (Nije), Ik zal je ies een tater verkopen! (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tater , taoter , taoters , 1. druppel aan de neus; 2. oogdrek, slaap in de ooghoeken; 3. klein meisje; 4. slecht exemplaar (bijv. van een konijn); 5. rafel; 6. vel op gekookte melk; taoteren, afraffelen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tater , tater , mond (misprijzend bedoeld).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tater , taters , (grote) voeten (spottend).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tater , teters , tieters , oogdrek, slaap in de ooghoeken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tater , [drukke prater] , tater , (vrouwelijk) , een luide, drukke pra(a)t(st)er, zie ook taterieër , Det is ein echte tater!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tater , taoter , modder; smurrie; etter
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal