elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tezen

tezen , tezen , (transitief werkwoord) , pluizen, talmen, dralen; “je hebt al zoo lang zitten te teezen,” “ik ben dat getees al moede.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tezen , tézen , (zwak werkwoord) , plagen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tezen , tiezen , teezen, wol (enz.) pluizen; hooitiezen = bosjes hooi los maken en uiteenstrooien. Friesch tiesen, tiezen = warren; Oud-Friesch fortysd, Groningsch vertoesd = verward. Zie: toeze.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tezen , tezen , (zwak werkwoord, intransitief) , Talmen, teuten, langzaam bezig zijn; vooral gezegd van kinderen die kieskauwen, “met lange tanden” (of “met de lepel omgekeerd”) eten. || Gaan nou weer an je werk, je hebbe al zo lang zitten tezen. – Kind, wat tees-je weer! Zit niet zo te tezen met je eten. Die kinderen eten niks lekker (ze tonen geen eetlust): ze tezen zo. – Zo ook in de Beemster (BOUMAN 105). Volgens een aantekening uit de 18de e. noemde men toen te Deventer iemand die vies is in ’t eten, die geen trek tot eten heeft, tieuws. – In de oudere taal, en thans nog in dialecten, is tezen bekend in de zin van trekken, scheuren (reeds in het Mnl.), en plagen, kwellen: zie FRANCK 1005; KIL. 666; DE JAGER, Freq. 2, 641 vlg.; MOLEMA 421 b (tiezen); GALLÉE 45 a.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tezen , tiezĕn , wollĕ lös tiezĕn, uit elkaar halen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tezen , teize , teze, toize , werkwoord , 1. Talmen, treuzelen, langzaam werken. 2. Met lange tanden eten. 3. Pluizen van wol. Letterlijk betekent het woord plukken, pluizen. Zie het N.E.W. onder tezen. Vgl. het verwante Westfriese tisse = verwarren, Fries tiizje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tezen , tiezen , teizen, tezen , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe). Ook teizen (hy:Kop van Drenthe in bet. 1.), tezen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. met duim en vinger uit elkaar pluizen Het was uut mekaar etiesd (Mep), Tiezen is de vacht uut mekaar trekken (Pes) 2. met lange tanden eten (Zuidwest-Drenthe) Kiend, wat zit ie daor toch te tiezen, smak het oe niet? (Dwij), z. ook tieuwen *Maaien is niks as bukken en draaien, maor wol teizen, dat is vleis verleizen uit elkaar pluizen van wol (hy:Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tezen , tiesken , werkwoord , 1. kieskauwend eten 2. zeurderig praten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tezen , tiezen , werkwoord , 1. kieskeurig zijn met eten, niet opschieten met, spelende eten (vooral van kinderen) 2. door met een hooihark te slaan veel losser doen worden: van het op het land liggend hooi, ook: de groene bosjes al harkend boven doen komen, in d’r in omme tiezen 3. kaarden: van wol 4. dooreenbrengen, in de war brengen (lett.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tezen , tiezen , langdurig bezig zijn met eten op het bord, voordat je het in je mond stopt.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal